Op Tzum verscheen een recensie van Jane Leusing over mijn bundel Nachtefteling.

In Nederland en ook elders is het traditie dat een dichter of schrijver niet op recensies reageert. Dat wordt als ‘sjiek’ gezien, maar wezenlijk is het misschien eerder de oorzaak van de belabberde staat waarin het medium verkeert. Tijd dus om eens de traditie van de ‘contrarecensie’ in het leven te roepen. .

Allereerst valt natuurlijk op dat Jane Leusing de deprimerende boodschap dat ‘closereading’ iets is wat men in de jaren zeventig aan universiteiten pleegde doen wel erg achteloos brengt. Ik zou namelijk niet weten hoe je gedichten anders zou kunnen duiden: door er oppervlakkig overheen te lezen? Natuurlijk, er bestaat ook iets als oeuvrekritiek, en zelfs literaire kritiek die oeuvres tegen elkaar op kan zetten, maar zulke kritieken zijn in Nederland al helemaal nonexistent, dus wat blijft er dan over? Geen closereading, geen grotere duiding – alleen het schimmige gevoelentje van de recensent die vluchtig het werk even las?

Hier het gedicht waar de closereading over gaat:

Shut up, kiss me, hold me tight

Je doet net of ik er niet ben. Of ik een meubel ben,
ooit in een opwelling aangeschaft, duur genoeg
om niet aan de straat te zetten, maar verder
zo opwindend als belegen brood. Wel,
wentelteefje van mijn hart
hoe lang moet de huisraad nog wachten
voor de stort daagt? Dagelijks vind ik mijn kracht

in het tutoyeren van de taal zelf. Ik noem de aanschijn
bijvoorbeeld het konterfeitsel, gewoon omdat het kan.
Maar in jouw woordenkast nooit een melkman.

I wish the milkman would deliver my milk in the morning
I wish the milkman would deliver my milk when I’m yawning
[…] X4

(..)

Leusing bedoelde het misschien sarcastisch, want ze onderneemt wel degelijk een poging dit gedicht uit Nachtefteling te ‘closereaden’ (is er geen nederlandse term voor dat fenomeen te verzinnen? Begrijpend lezen? Nee dat is toch eigenlijk iets anders..) – ze kiest daarbij voor een formaat waarin de recensent aan de hand van één gedicht iets poogt aan te tonen over de hele bundel. Dat is natuurlijk een gevaarlijk stramien, want buiten dat het gedicht misschien niet al te representatief is voor het geheel verplicht het je ook die closereading dan wel erg zorgvuldig te doen. En helaas, zorgvuldig kunnen we deze closereading niet echt noemen. Het begint al bij het feit dat het Leusing schijnbaar niet opviel dat zowel begin als einde van het gedicht uit citaten uit popliedjes bestaan. De titel komt uit het gelijknamige nummer van Angel Olson en de slotregels uit ‘Milkman’ van Aphex Twin.

Stop pretending i’m not there is de chute uit het eerste nummer, en dat is ook de thematiek van het gedicht zelf. Een wezenlijk tragisch gedicht waarin de dichter als grof vuil bij de stort wordt gezet. Hij eindigt dus als raamlikker, en Leusing mag daar een ‘masculiene boodschap’ in ontwaren, in het nummer van Aphex Twin is de regel vooral homo-erotisch (Ik wil melk likken van de witte dijen van de melkman).

Een goed closereader zou het niet enkel opvallen dat het gedicht een spelfout bevat, maar deze zou ook beseffen dat de zogenaamde spelfout naadloos de thematiek van het gedicht volgt. De dichter weigert te spreken over ‘het huisraad’ en staat op ‘de huisraad’, want die huisraad is hij natuurlijk zelf. Schrijven tegen die objectificatie keert later in het gedicht terug als de dichter schrijft dat hij bezig is de taal zelf te tutoyeren. Hoe zou je dat precies doen?

Hierna volgt een vreemde opmerking over ‘het aanschijn’ een konterfeitsel kunnen noemen. De dichter staat tegen het raam geplakt en beziet zijn oude leven, en hoewel ik niets heb met mensen die gedichten ‘talig’ plegen noemen (schilderijen noem je toch ook niet ‘vervig’) is dit, denk ik, een van de interessantse wendingen in het gedicht: aanschijn, de oude situatie, verandert in konterfeitsel – iets wat tegen de feiten indruist, terwijl hij tegen het raam staat geplakt, met zijn kont naar het licht, in feite. Dat zou je met goed recht iets taligs kunnen noemen, omdat het twee woorden die officieel hetzelfde betekenen tegen elkaar laat contrasteren.

Die melkboer uit het gedicht, wie is dat? Is dat een nieuwe minnaar, of is het misschien eerder de dichter zelf? ‘Maar in jouw woordenkast nooit een melkman’ staat er te lezen. Om dan te eindigen met die wens dat er een melkman hem elke morgen melk zal komen brengen. Iets masculiens in de lezing van Leusing, maar ik zie er eerder wrange verwijzingen in. Wat ons terug brengt naar de titel van de recensie, ‘taalgrappenmaker’. Humor kan ook wrang zijn. Is dit een grappig gedicht? Mij lijkt van niet. ‘Grappig’ is gewoon niet het juiste woord. En precies daar ontbreekt het de recensent dus aan zorgvuldigheid, want iets wezenlijk wrangs als een grapje wegzetten is niet alleen onzorgvuldig, het is de plank compleet mis slaan.

Of is die melkboer wellicht de taal zelf? Gaat dit gedicht eigenlijk wel over een verbroken relatie, want het is lastig in die regel ‘in jouw woordenkast nooit een melkman’ niet een soort commentaar naar de poëzie zelf te lezen. Dichters die lege woordenkasten bouwen, waar nooit een vervelende verrassing in zit. Het duveltje in het doosje. Voor de dichter is taal niet langer iets formeels, en dus kan hij ‘de taal zelf tutoyeren’ en zelfs spelfouten als poëtische elementen opvoeren. Dat deed ik al ooit eerder, weet ik nog, maar vraag me niet waar.

Je zou het gedicht dus heel wel kunnen lezen als een gedicht over een dichter die verbannen is uit het huis van de taal zelf, misschien door juist zo tegendraads bezig te zijn? Het is ook lastig de ironie niet te zien – in zowel ‘Shut up kiss me hold me tight’:

Als in ‘Milkman’

speelt taal een bepaalde rol, een rol waarbij wat van belang is eigenlijk helemaal niet gezegd wordt. Het zijn schijnbaar oppervlakkige teksten, die echter door chutes die buiten-talig zijn bijzondere betekenis krijgen.

Een sonnet dus dat twee muzieknummers aan elkaar koppelt, eigenlijk als tussenstuk fungeert, en een spelfout en een taalverdieping als voornaamste chutes heeft. De demonische melkman fungeert op zo’n manier dat je het zowel als een klassiek gedicht over een verbroken relatie zou kunnen lezen als metacommentaar op de taal of de rol van de dichter zelf.

***

Na de toch wat mislukte closereading vervolgt Leusing met taal die je in een goedkope vakantiebrochure zou verwachten: ‘er is in de bundel veel te beleven’. Dat zegt natuurlijk geen enkele lezer wat; uit een recensie over een pretpark zou elke touroperator zo’n zin onmiddellijk schrappen. ‘Ga naar de Costa Brava, want er is veel te beleven’ – nee, ook hier is de taalkeuze onzorgvuldig.

Als klap op de vuurpijl, het einde van de recensie, waar Leusing doodleuk beweert dat, omdat ik ‘Aantekeningen’ heb veranderd in ‘Krabbels’ deze aantekeningen plots geen aantekeningen meer zijn, maar bij het gedicht zelf zouden moeten staan. Pardon? En de woorden zijn opnieuw inwisselbaar, sterker nog ‘krabbels’ is een veel passender term, omdat het niet de volledigheid suggereert welke ‘aantekeningen’ impliciet in zich draagt.

En als je zo’n opmerking maakt dan wordt het bijzonder vreemd als je regels van Nene Giorgadze in de recensie citeert als de mijne. Overigens vind ik de wond als open deur een prachtige metafoor voor het soort weltschmerz dat Nene poogt omschrijven.

Zou ik het gedicht Shut up kiss me..’als exemplarisch voor de bundel omschrijven? Nee, dat denk ik niet. Maar wat ik wel eigenaardig vind is dat recensenten hun conclusies al bij voorbaat van elkaar lijken af te kijken. De nar, de grapjas, luchtig, ga zo door. Als dichter ben je dan toch blij dat er nog critici als Gerbrandy bestaan, die wel degelijk de gruwel in mijn gedichten kan zien.

Martijn Benders