Man and Camel

On the eve of my fortieth birthday
I sat on the porch having a smoke
when out of the blue a man and a camel
happened by. Neither uttered a sound
at first, but as they drifted up the street
and out of town the two of them began to sing.
Yet what they sang is still a mystery to me—
the words were indistinct and the tune
too ornamental to recall. Into the desert
they went and as they went their voices
rose as one above the sifting sound
of windblown sand. The wonder of their singing,
its elusive blend of man and camel, seemed
an ideal image for all uncommon couples.
Was this the night that I had waited for
so long? I wanted to believe it was,
but just as they were vanishing, the man
and camel ceased to sing, and galloped
back to town. They stood before my porch,
staring up at me with beady eyes, and said:
“You ruined it. You ruined it forever.”

Een waarlijk briljant gedicht. Het is op zo vele manieren te interpreteren. En ook maar op één manier. De angst van de kunstenaar om zijn werk te ruïneren, met die laatste strook, en dat geprojecteerd op een midlife crisis. Werkelijk een fenomenaal beeld.Het gaat ook over hoe het bewustzijn immer roet in het eten strooit.

Ook dat besef, de man en de kameel, als het ‘odd couple’, het besef na al die jaren dat je eigenlijk helemaal niet bij elkaar past…en dat je daar toch de schoonheid van ziet, maar dat je het verpest, omdat je weer meent dat alles om jou draait. Wat een gedicht.

Daarnaast is het, meen ik, ook een reactie van Strand op een ander gedicht, en wel een van James Tate:

The Camel – James Tate

I recieved the strangest thing in the mail
today.  It’s a photograph of me riding a camel
in the desert. And yet I have never ridden a
camel, or even been in a desert. I am wearing
a jellaba and a keffiyeh and I’m waving a rifle.
I have examined the photo with a magnifying
glass and it is definitely me. I can’t stop
looking at the photo. I have never even dreamed
of riding a camel in the desert. The ferocity
in my eyes suggests I am fighting some kind of
holy war, that I have no fear of death. I must
hide this photo from my wife and children. They
must not know who I really am. I must not know.

Ook een fenomenaal gedicht, een ijzersterk antwoord op de hele ‘War on Terror’ van de Bush dynastie. We zien hier dus dat twee dichters middels beelden met elkaar communiceren over de tijd waarin ze leven. Het gedicht van Tates is pijnlijk en politiek, het wasemt de boodschap uit, wat als ik zelf niet hier geboren was maar daar? Zou ik niet ook in opstand komen? Strand neemt vervolgens dit beeld en projecteert het op het Amerikaanse rural life. Een fascinerende uitwisseling van beelden die in een heel beperkte ruimte bijna alles zegt over de tijdsgeest.

In de discussie over ‘engagement in de poëzie’ mis ik vaak het idee dat het onmogelijk is om poëzie te schrijven die niet geëngageerd is. Wat deelnemers aan de discussie, die de poëzie een bepaalde richting op pogen duwen (je moet ergens je streepjes weten verdienen, nietwaar) – wat ze feitelijk zeggen is: wij hoeven poëzie eigenlijk niet te lezen. Want wat ze wezenlijk willen is het soort gedichten waarin het engagement niet langer subtiel is maar er metersdik bovenop ligt.

Waarom zou je dat in vredesnaam willen? Waarom moet de poëzie in een simpel spandoek veranderen? Zulk pamflettisme, want dat lijkt me de juiste benaming – waarom moet ik gedichten lezen die mij precies hetzelfde vertellen als de krant? Wat is dan nog de waarde van poëzie?

Een antwoord hierop blijft vreemd genoeg altijd uit. Op bijna eng jihadistische wijze moet en zal elk gedicht de wereld veranderen. En dan krijg je een stuk candlelight geserveerd over een dood kindje met een schepje op het strand.

Aandoenlijk? Niet meer dan de foto. Poëzie als een slappe echo van de krant. Nee, geef mij dan maar deze gewiekste oude reuzen, met hun treffende beelden die dubbelzinnig zijn en inslaan als een beurskrach.