Het nieuws bereikte me snel, ik moest even wachten om te verifiëren of het klopt. Mijn vriend Menno is overleden. Hij leed aan een zeldzame hartziekte, een ziekte zo zeldzaam dat er in Nederland nauwelijks een specialist voor te vinden was. Waarom dat nou precies hem moest overkomen, ik heb er vaak over nagedacht.

Twee jaar geleden gaf ik hier een feest. Menno kwam ondanks zijn hartconditie toen 5 uur reizen, alleen om op mijn feestje te mogen zijn. Dat vond ik een grote eer. Hij droeg op het feest voor uit ‘het boek der dode uilen’, het gedicht van Milosz daaruit. Zelden heb ik een erudieter en fijnzinniger persoon ontmoet dan Menno, zo’n beetje de antipool van de arrogante dichter eigenlijk, altijd bedeesd, altijd voorzichtig en altijd vol van literatuur.

Ik heb lang, heel lang gechat met Menno over zijn ziekte. Hij had een soort parasiet opgelopen, ik weet de technische naam van de ziekte niet meer.

Rust zacht, lieve Menno. Je worsteling met het papier is eindelijk vervuld.

Deventer, 05 augustus 2017 – voor Menno

We zaten naast elkaar aan tafel, zeiden niets.
Je was bleker dan de vorige keer, bijna doorschijnend.
‘Moeten we niet praten’ vroeg je twijfelend.
‘Het is toch prima niks te zeggen’ zei ik.

We haalden zwijgend ons eten. Je at, maar er at iets mee.
We wisten het, onze geheimen zijn niet veilig.
Bonen, groener dan cyaankali, schenen op het bord.
De hartworm zoog met je mond als rietje.

‘Ik wil alleen nog verzorgd worden’, zei je buiten,
trekkend aan een sigaret – come, come, nuclear bomb
ons motto en gebed – je keek er zo verloren bij.

Je zocht de vernietiging van het groots leven,
maar altijd bedaard, en toch met de nodige flair.
Je was Johnny Cash en Morrissey ineen.
Onmogelijk iconisch. En wat een Heer.

Martinus 01- 02-2018