Martijn Benders, Nachtefteling, Van Gennep 86 blz.

ALS HEINKELS

Dat sprookjes, mythen, tovenarij en magie iets met elkaar te maken hebben is
duidelijk. Ze vertegenwoordigen de nachtzijde van het bestaan, beloven toegang tot
de onbegrepen lagen van de existentie en voeden de illusie dat het mogelijk is de
werkelijkheid, kosmische verschijnselen incluis, te manipuleren. Maar wat gevaarlijk
is wordt vaak geneutraliseerd, of liever: gekanaliseerd, door er grappen over te
maken. Niet voor niets is de Efteling, waar sprookjesfiguren tot leven komen, al
decennia een van de populairste pretparken van de Benelux. Je kunt er in een veilige
omgeving griezelen en in afgronden storten zonder te pletter te slaan.

De nieuwe dichtbundel van Martijn Benders (1971) wil de vrolijke
sprookjeswereld weer terugbrengen waar hij thuishoort. Op het zwarte omslag staat
de titel, opmerkelijk genoeg, gespeld als Martijn Benders’ Nachtefteling. Dit
suggereert dat het boek niet zozeer een verzameling gedichten is die ‘Nachtefteling’
heet, als wel een concreet attractiepark dat je, geheel op eigen risico uiteraard, kunt
bezoeken. Op de achterzijde staat een magisch vierkant dat is opgebouwd uit
achtmaal acht letters, in het Georgisch alfabet, als om te benadrukken dat de lezer
een geheim boek in handen heeft dat toegang biedt tot het domein van demonen.
Dat wordt bevestigd in de ‘Brief’, niet toevallig geschreven op Camping De Zwarte
Bergen, waarmee de bundel besluit, want daar noemt de dichter zijn project een
‘grimoire’ (magisch handboek), ter voorbereiding op de definitieve Nachtefteling, een
plek ‘waar al het groteske en buitenissige de ruimte krijgt’.

Grotesk is de bundel zeker, zoals ook het eerdere werk van Benders, en bij
vlagen ronduit gestoord en onweerstaanbaar grappig. Wie het park binnengaat doet
er echter goed aan alle hoop te laten varen, want pret maakt algauw plaats voor
gruwel. Dit is een spookhuis waar het lachen je vergaat. De bundel is, afgezien van
genoemde brief, opgebouwd uit drie afdelingen, waarvan de eerste en de laatste uit
losse gedichten bestaan en de middelste een doorlopend visioen behelst. Enkele
gedichten zijn vertalingen of bewerkingen van teksten van anderen, zoals de
Georgische dichteres Nene Giorgadze, maar bijvoorbeeld ook Nick Cave. Diens
‘Weeping Song’ wordt hier genadeloos en hilarisch tot ‘Miepliedje’: ‘Zeg vader, mag
ik u iets vragen? / Wat zit je weer te miepen zoon?’

Wat Benders oproept is inderdaad een tranendal. Hij neemt je mee naar
broeierige Brabantse dorpen, smoezelige familiegeheimen en seksuele frustraties,
naar een boekverkoper op de maan en het schimmenrijk van de narcose. Oorlog en
geweld zijn alomtegenwoordig. Daarbij heeft het frequente gebruik van
dialectwoorden een vervreemdend effect, als wil de dichter benadrukken dat het werk
zich afspeelt in min of meer van de buitenwereld afgesloten gemeenschappen.
Tegelijkertijd versterkt het de ongemakkelijke atmosfeer van abracadabra.
‘Stilleventje uit de dorpskroeg’ begint bijvoorbeeld met deze strofe:

Scheer je weg, mijn vriend, maak je uit de voeten.
Dat aftands gezicht van de barvrouw daar – dat zijn geen sproeten,

en het is geen knoflooklucht, of walm van loskomend behang,
nee, het is de stank van lieden die ogelen naar wiffels.

Ik heb wel een vermoeden wat ‘ogelen naar wiffels’ betekent, maar onderdruk de
neiging een woordenboek te raadplegen.

Benders is een meester in het kiezen van verrassende woorden, die op het
eerste gezicht krankzinnig lijken maar in feite effectief een beeld neerzetten:

Ik ben uit haar morgenland verdreven.
De molens fluiten laag als heinkels in de wind.
‘Bij jou voel ik mij een geometrische driehoek,’ zei ze.
Zo liet ze me achter, kronkelend in het riet.

Zelden is het failliet van een liefde met meer trefzekerheid geformuleerd. Het geheim
zit in ‘morgenland’, met zijn associatie van beloftevolle dageraad en oriëntaalse
decadentie, in het onheilspellende ‘laag’, en in het contrast tussen de strakke
driehoek en de kronkeling in het riet. Dat de molens zich voordoen als
bommenwerpers is absurd en daardoor onthutsend. En tegelijkertijd schetst de
dichter in een paar achteloze lijnen een typisch Nederlands landschap.
Dit alles is al reden genoeg om het eigenzinnige boek te lezen en te herlezen,
maar wat Nachtefteling tot een enerverende belevenis maakt is vooral het
middendeel, ‘Elph’ geheten, waar we getuige zijn van wat een monster waarneemt,
of eigenlijk niet waarneemt, door een piepklein gaatje. In deze reeks van vijfentwintig
pagina’s word je, als in een achtbaan die maar niet tot stilstand komt, meegesleept
door een luchtlaag die bijna alleen nog uit taal bestaat, taal die rakelings langs de
werkelijkheid scheert en droomsequenties doet opflitsen die geen mens zou kunnen
navertellen. De eerste strofen luiden zo:

De kousenband van regen niet
die tijd rekt in de plassen.

De kleuren niet, toepend door de velden of
de zwaankleefaan van kuikenmolentjes.

Dit is een kaleidoscoop, waarin na ieder woord de kort aangestipte constellatie van
vorm en kleur verandert.

Ook in deze reeks is de sfeer er één van verval en verbijstering, maar bij alle
waanzin is de toon ook elegisch. De dichter zoekt naar verloren liefde, naar
schoonheid en muziek. Daarin vindt hij aansluiting bij de lyriek van Gorter, Gezelle en
Van Ostaijen, en – heel uitzonderlijk – bij de precieuze poëzie van Louis Couperus.
Benders speelt met de typografie en geeft taalklanken gelegenheid het ene moment
niets anders te zijn dan zichzelf, het volgend moment weer een rol te spelen in het
suggereren van betekenis. Het ‘UHU’ van een uil transformeert enkele bladzijden
later tot ‘Hoe. Hoe’, om ten slotte hier op zijn plaats te vallen:

De uil ploegt
hoeiend over de velden.

De maan reunt
gehavend door het ruit.

De neerslag rijgt
een krinkel van vingerlingen.

In het schars van hoop
raakt de wereld kwijt.

Dit is een soundscape die herinnert aan het werk van Jan Engelman (‘groen is de
gong van de zee’), maar ook verwant lijkt met impressionistische schilderkunst.
Regels als deze vragen erom van buiten geleerd te worden, zodat je ze ’s nachts,
wanneer de boze geesten zich om je bed verzamelen, als bezwering kunt uitspreken.
Het neemt niet weg, helaas, dat er, zoals Benders herhaaldelijk laat doorschemeren,
uiteindelijk geen hoop is. Althans niet buiten de taal zelf.

Piet Gerbrandy, Ons Erfdeel, Februari 2018 – Ga naar de website van het tijdschrift