Ressentiment! Jij loopt te hoop tegen de vernieuwing! 

Jammer, maar nee. Poetry Slam is met name het instrument dat mijn eigen generatie gebruikte om de oude consensus te omzeilen. Lid van die oude generatie ben ik niet. Noch representeer ik hen – een intellectueel representeert alleen zichzelf, zoals Gore Vidal het mooi stelde. De oude generatie, dat is de babyboomer Hugo Brems, die deze week op zijn tachtigste (?) verjaardag tijdens zijn 2673e jurylidmaatschap voor de 834e keer een literaire prijs aan de bekende weg uitreikte. Langzaamaan begint het iets te worden dat vooral het Guinness Book of Records tot doel heeft, zo lijkt het.

Bovendien is het idee dat poëzie voorlezen in de kroeg en daar dan vrienden voor laten klappen iets ‘nieuws’ is toch vooral iets wat het soort mensen zouden geloven die überhaupt geloven dat het in Amerika allemaal gebeurt, want dat zagen ze op televisie. Dit sluipende amerikanisme heeft in Nederland via de Leidse politieke elite zich naar de cultuur weten verspreiden als ‘ondernemersgeest’. De poëzie moest zich maar eens nuttig gaan maken voor de maatschappij, en dat domrechtse ideetje vertaalde zich vervolgens in het ideetje dat poëzie toch eigenlijk vooral nut heeft als het publiek weet te vermaken.

Een linksig coalitievriendje kwam toen snel angstig met de poetry slam uit Amerika op de proppen.  De perfecte oplossing, al die dichtertjes konden een uurtje vermaak bieden, en in ruil ging de portemonnee niet helemaal dicht.

Vernieuwing is dus een domrechts truukje om de poezie verder te vercommercialiseren?

In Nederland? Voornamelijk wel. Het begint altijd met een politieke agenda. Daarna moeten de idealen worden verzonnen. Op de agenda stond in dit geval: KUNST MOET NUTTIG. Je zet dan wat alfatiepetjes aan een tafel neer, en hop, voor je het weet ligt de vernieuwende oplossing op tafel: als we de kunstenaars nou eens ondernemers gaan noemen? Als we de dichters nou eens afrekenen op het publiek? Nuttigheidsdenken, en het veramerikaniseren van de cultuur.

Na de Tweede Wereldoorlog was de politieke agenda bijvoorbeeld dat die Kulturkammer die door Hitler in Nederland was geïntroduceerd toch eigenlijk best nuttig was, zo alle schrijvers op 1 plekje door de ambtenarij laten aansturen. Men continueerde de instantie onder een andere naam, het Letterenfonds, en de nieuwe generatie, vers terug uit Duitsland, bracht er de vernieuwing onder – de SSer Lucebert werd tot Keizer van de poëzie gekroond,  met veel poeha, en de hele grachtengordel joelde mee. Het waren olijke jaartjes. De vrijheid had toegeslagen.

Maar bestaat vernieuwing dan niet in de dichtkunst?

De term is totaal niet nuttig (en leent zich dus bijzonder voor politiek) want vernieuwend is iets altijd alleen ten opzichte van en het kan dus onmogelijk een losstaand gegeven zijn.
Rechts heeft de eeuwige economische groei, Links de eeuwige vernieuwing. Het is allemaal holle retoriek met geen enkele wortel in de daadwerkelijke wereld, holle retoriek met de propagandistische functie de politieke werkelijkheid te laten zoals deze is.

Goed, goed. Veramerikanisering dus, net zoals je ziet bij de stadsdichterschappen, waar je als dichter tegenwoordig een pitch moet winnen net als elk ander bedrijf dat bij de gemeente moet. 

Precies. De oude manier was dat stadsdichter een erebaantje was. Een dichter verdiende zo’n positie door een oeuvre te schrijven en het baantje liet zien dat de stad trots op zijn prestaties was.

Mijn generatie vond schijnbaar, onder auspice van de supermarktmanagers¹, dat dat toch echt beter kon. Erebaantjes, boeh! Laat wat lui uit de kroeg met elkaar op een podium bekvechten.

Gevolg: de stadsdichterschappen zijn uitgelopen op een compleet fiasco. Nog een gevolg: de poëzie heeft zeer flink aan aanzien moeten inboeten. Rijmelaars van de ergste soort mogen de bekende dichter spelen op gemeenschapskosten, neefjes van de Stadhouder, etc. etc.

Maar bij een PITCH komt toch per definitie de sterkste uit de bus? 

Dat ideetje is zo flinterdun dat erin geloven bijna gelijk staat aan waanzin. Dichter en facebookvriend Dale Houstman omschreef het gister op facebook zo:

“My Dutch is basically nonexistent, except for the few German analogs I can glean, which do not add up to a clarity of information. I am certain you have said more to this issue than I possibly could, but – from personal experience and purely personal “taste” (rather prissy word that) I will say I find slam poetry to be dispiriting, if only because it usually takes the form of a competition, which does not interest me. Now I am aware that is a foolish and modern anti-capitalist stance and not in any specific manner an aesthetic standard, and that poetry competition is at least as old as the ancient Olympics. So there’s that. But – perhaps more to the point (but no more rigorous) the examples I have heard lack much of what I (only I?) experience as poetry. Again, I am well aware that performance is an element of poetry older than dirt. But I am one of those useless Western ponces who actually prefer the “words on the silent whiteness” to the much lauded “oral tradition” – sue me! Too much of what I’ve seen of the form strikes me as overly demonstrative, and “underly” imaginative, as self-congratulatory and lacking in the more nuanced uses of language. Of course, this grows rather obviously from the way I approach poetry, as an instrument of language rather than a medium of self-expression. Far too much “I” in it for my predilections. As to whether it is a scam or a genuine art form in its own right: probably not my place to ascertain or declaim. An entirely personal posture. As if that were any help!”

Dale komt eigenlijk met een keur aan nieuwe argumenten tegen de poetry slam, op de meeste ervan zal ik later ingaan, maar het aspect wat mij in het oog springt in deze context is precies dat woord ‘self-congratulatory’ – de narcistische zelf-felicitatie, die weer heeft geleid tot een keur aan ‘zelf-felicitatie-poëzie’ ofwel met een duurder woordje ‘identiteitspoëzie’, een genre dat door de jonge dichters van nu driftig wordt beoefend.

Morgen deel 3…

¹ Een auspice was een soort voorspeller in de Romeinse geloofsovertuiging die tot doel had de toekomst te voorspellen door de vlucht van vogels te bestuderen.