Op facebook breekt Mark Opfer-Ruting in een bekentenis uit naar aanleiding van mijn stukken:

Kijk, er zijn een paar dingen waar ik me de laatste tijd onbehagelijk over begin te voelen.

– het narcistische karakter van het op een podium staan en daar je eigen zielenroerselen voor applaus inruilen. In hoe het schoonehid en jeugd bevoordeelt heeft het bijna iets fascistisch.
– de functie van de podiumpoëzie als verleidingsstrategie. Je staat op het podium om begeerlijk te zijn. Ook dit zorgt dus voor vervlakking.
– De verwarring van gedicht en interpertatie. Martinus Benders wees me daarop, maar wat je hoort op een podium is geen gedicht maar een interpertatie van een gedicht. Een bepaalde ‘lees’-modus wordt je opgedrongen. Zoals het daar door de auteur gelezen wordt is de echte versie, dan pas krijg je de intentie en de betekenis goed tot je. Deze monolithesering van de werkelijkheid past natuurlijk extreem goed in het straatje van het totalitair (staats)kapitalisme: er is geen alternatief voor denkbaar. Juist meerstemmigheid is nodig om mensen op te voeden andere mogelijkheden te overwegen.
– Het enorme ons kent ons karakter. We doen ons trucje vrolijk voor een groep gelijkgestemden op een plek en een tijd die daarvoor is ingericht waarmee natuurlijk gelijk het revolutionair potentieel verdampt is. Repressieve tolerantie en inkapseling: wapens van het grootkapitaal bij uitstek.

Wat dat eerste betreft: het delen van persoonlijke sores, dat is van oudsher de therapeutische poëzie, en die werd vroeger net als de therapeutische schilderijtjes in het buurtcentrum gerekend tot de laagste regionen der kunstbeoefening. Schijnbaar is het beeld ontstaan dat als je op zulke zielenroerselen een mooi hoofd plakt, deze aan kwaliteit toenemen en ze op een groter podium thuishoren.

Zoetgevooisd brengen aldus knappe jongens en meisjes hun gestaltangst als vermaak op de bühne. De babyboomers oma en opa komen er naar luisteren, en zwijmelen erbij, O O de verloren schoonheid, kijk dat was toch ook niet alles, de kleinkinderen hebben het moeilijk.

Zelf was ik, toen ik Fliermans Passage had geschreven, op zoek naar een andere uitgever, want die luiwammes van een Van Gennep wens je je roman niet toe. De literair agent Seebes had grote interesse, hij wou volgende dag al om tafel. Destijds had ik een relatie met Els, en we hadden de hele nacht over internet over iets onbenulligs zitten bekvechten, waardoor ik geen seconde had geslapen, en omdat ik geen wasmachine had daar (ik heb 4 jaar zonder wasmachine geleefd) kwam ik zonder slaap in vieze kleren bij Seebes aan, en op een of andere manier ging plots het gesprek over Menno Wigman.

‘Een goed dichter,’ zei Seebes, ‘maar de man heeft wel een wenkbrauwenprobleem’.

Ik begreep de teneur. Ik begreep waarom Wigman nooit in DWDD had gezeten. Hij had een wenkbrauwenprobleem. En iets dergelijks had ik natuurlijk ook, dus mijn roman was bij voorbaat kansloos.

Eigenlijk heeft de hele literatuur een enorm wenkbrauwenprobleem.

Ik heb mijn wenkbrauwenprobleem dus maar bij Van Gennep gehouden, en die heeft het een jaar na uitgave alweer van het internet getrokken.

Uiterlijk speelt dus een enorme rol in het moderne literatuurwezen. Is dat, zoals Opfer-Ruting veronderstelt, een fascistisch gegeven?

Dat lijkt me wel. Het is misschien boeiend te bedenken hoe hedonisme en fascisme in elkaar grijpen, en anderzijds heb ik medelijden met de slachtoffers van deze trend, want hoe gedeprimeerd zullen ze ooit worden als hun 5 minuten roem niet eens op hun werk gebaseerd was? Funest en de wortel van een diepe depressie.

Nee, ik verkies de stamelende oude mannen en vrouwen, met de goed doordachte gedichten. Ik hoef namelijk niet zo per se seks te willen hebben met wie er op het podium staat. Dat is waarschijnlijk omdat ik een dikzak ben met een wenkbrauwenprobleem, die je met geen mogelijkheid als iets leuks aan een meute zuchtende babyboomers kunt verkopen. Ik heb daar vreemd genoeg vrede mee.