Voorheen: hoe het vrouwbeeld bij zowel Nijhoff als Vasalis op dierlijke leest werd gestoeld, de koe versus de pelicaan, het agrarische versus de alchemie. 

En hoe ‘De Moeder De Vrouw’ het ultieme voorbeeld is van een henkkrolletje – op mijn voorgaande vraag hoe dit gedicht in de canon wist belanden bestaat namelijk een heel eenvoudig antwoord: iedereen had het erover.

Dat dat vooral in negatieve zin was maakt geen verschil. Sötemann, Vestdijk, Donker – geen enkele literaire criticus was destijds te spreken over dit gedicht. Het waren grappig genoeg postmodernisten die weer positief over het gedicht begonnen schrijven, en wel om de flinterdunne reden dat ze die ‘wordende brug’ als een mooie metafoor zagen voor hun ‘deconstructie’ – zoals Yra van Dijk hier schrijft 

Sötemann, en na hem Bakker en De Boer, hebben zich in hun interpretaties op de
twee overzijden geconcentreerd. Zij lazen alledrie vanuit de gedachte dat het
gedicht gaat over metafysische verzoening. Maar de vraag is of die verzoening wel
te vinden is in Nijhoffs poëzie. Van den Akker bijvoorbeeld meent van niet, hij vat
Nijhoffs wereldbeeld zo samen: ‘Er is geen uitweg, er is slechts de aanvaarding van
een versplinterd, redeloos en ontredderd bestaan’ [1994: 49]

Nijhoff als visionair van de postmoderne versplintering – omdat? Omdat Nijhoff niet dom genoeg kon zijn geweest om niet te weten dat de brug helemaal geen opengaande brug was. Het idee dat Nijhoff nooit in Bommel is geweest en het foute type brug voor de geest had werd zover ik kon zien door geen enkel criticus overwogen. Toch meen ik dat dit de enige plausibele verklaring is voor deze zogenaamde vermenging van tijden. Dat daar dichterlijke intenties aan ten grondslag lagen – precies daar wordt de discussie zo lachwekkend. De dichter mag geen mens zijn die fouten maakt, maar moet als Jezus of Mohammed een perfecte abstractie zijn, van wie elke letter goddelijk werd ingegeven.

En ironisch genoeg staat hij daarom inderdaad precies symbool voor die postmoderne versplintering: de Hagenees Nijhoff schrijft (in opdracht?) een gedicht over een nieuwe brug, en doet zijn best de indruk te wekken dat hij die hoogstpersoonlijk ging bekijken. Hij raffelt een gedichtje op papier, dat vervolgens door alle critici wordt gekraakt, en dat gedichtje zit 50 jaar later elk Nederlands kind uit het hoofd te leren, want kunst is de nieuwe religie, de nieuwe lijm in de samenleving, en dit gedicht werd door alle hogepriesters belangrijk genoeg bevonden om besproken te worden. Ziedaar het radarwerk achter de canonisatie. De bijbel ontstond waarschijnlijk op gelijkaardige wijze.

En interessanter is die andere voorheen nooit gestelde vraag: waarom eigenlijk Bommel? Was die brug dan zo bijzonder? Of was het, cynischer, een uitgelezen kans om gecanoniseerd te raken, want het mag toch geen toeval heten dat juist die brug met de naam van Nijhoff werd geëerd, een eer die geen enkele andere dichter ooit mocht toevallen. Schreef Nijhoff doelbewust met canonisatie voor ogen? Schreef hij een snel broddelwerk dat, dankzij het henkkrolletje, uitgroeide tot een klassikaal gedicht en zijn naam op de brug?

In dat geval was Nijhoff inderdaad profetischer dan we op basis van zijn gedichten zouden moeten geloven.

Dat blijkt ook uit enige bespiegelingen van Jos Joosten op facebook over precies dit onderwerp:

Geboren als schipperskind heb ik me altijd over één passage in de Nederlandse poëzie verbaasd. In Nijhoffs ‘De moeder de vrouw’ beschrijft de dichter, zoals bekend, hoe hij in het gras aan de Waal ligt, zijn thee drinkend. Er vaart een schip voorbij, waarop hij een vrouw ziet staan.

‘Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.’

Volgens mij werd er nog nooit gewezen op het volstrekt onaannemelijke van juist deze ervaring. In werkelijkheid had Nijhoffs ‘moeder’ een flinke geluidsinstallatie ter beschikking gehad moeten hebben om met gezang op de rivieroever hoorbaar te zijn. De Waal is de breedste rivier van het land, met gemiddelde breedtes (afhangend van de waterstand) van 200 tot 400 meter. Het schip vaart buiten de kribben in de vaargeul, dus een flink eind van de oever vandaan. Feitelijk is Nijhoffs beeld onmogelijk (je ziet hoe snel iedereen verandert in een vintage Maarten ’t Hart, als je toevallig iets weet van vroeger).

Vanochtend schrijft Peter-Arno Coppen in zijn taalrubriek in ‘Trouw’ over de taalkundige constructie van de tweede geciteerde versregel: ‘wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren’. Coppen legt uit dat Nijhoff het ‘onderwerp “geëxtraheerd” heeft uit de bijzin’ en hij concludeert: ‘Nijhoff zoekt hier de grens op en rekt de taal een beetje uit’. Een correcte waarneming, lijkt me.

En vanochtend wist ik ineens ook waarom. Coppen schrijft terecht: ‘de bijzin betekent: “wat zij zong waren psalmen”‘. Maar dat schrijft Nijhoff dus niet. Waarom niet? Omdat hij dat in werkelijkheid met geen mogelijkheid gehoord kan hebben! Door de ingebedde constructie wordt het bewust tot de individuele ervaring van de dichter. Het gaat er in deze versregels helemaal niet over hoe het objectief wás – misschien zong de vrouw wel helemaal niks – maar inderdaad over wat de dichter – en hij alleen in zijn innerlijk – subjectief hóórde. En het is bij uitstek een dichter uiteraard volledig toegestaan om zowel taal als werkelijkheid naar eigen welbevinden op te rekken en alle grenzen op te zoeken.

 

Kortom, het beeld rijst van een man die,  in alle gretigheid verblind door de zich aandienende mogelijkheid tot canonisatie (Een brug! Een hele brug!) snel een gedicht neerpent zonder ooit ter plekke te zijn geweest, waarna de kritiek het met de grond gelijk maakte en hij op basis van het ‘rumoer’ dat deze kritiek veroorzaakte inderdaad de voorspelde canonisatie deel werd, zowel qua naam van de brug als ook opname in de klassikale literatuur.

En nadat de oldtimers (Vestdijk) hem afkraakten kwam er een nieuwe lichting postmodernen (waaronder, inderdaad, Komrij!) die Nijhoff in bescherming namen, want de oudeheer was een lul.

Dat het CPNB dus in 2018 dit thema weer oprakelt lijkt me niet oubollig maar juist volslagen terecht: het is de blauwdruk van alle literaire beslommeringen in Nederland, het is de formule van het Nederlanderschap zelf: wees middelmatig, en het protest tegen uw middelmatigheid zal voor uw eeuwig leven zorg dragen.

Hoogstwaarschijnlijk is dit scenario: Nijhoff heeft voor elke nieuwe brug in zijn tijd een gedicht geschreven, en alleen de brug die naar hem vernoemd werd uiteindelijk beloont met een definitieve versie. Ergens in een hele oude prullenbak liggen 450 andere snel geschreven nijhoffjes te vergelen.