Hoe komt het eigenlijk dat Vasalis mij zoveel dierbaarder is dan Nijhoff? Misschien ligt het ook ietwat aan de rol die beiden speelden in het literaire landschap – Vasalis bedeesd, teruggetrokken, mijdend. Nijhoff opdringerig, vanuit het centrum van de macht, canoniserend. Dat laatste is eigenlijk gedrag dat je zelfs niet zou pruimen van iemand die echt een groot kikkerdichter in dit onaanzienlijke vijvertje is, laat staan iemand die zowel politiek als progressief bedenkelijk is, en wiens werk bol staat van de kleinburgerlijke tafereeltjes en gemeenplaatsen.

De rol die Nijhoff speelde bij het wegmoffelen van de Kulturkammer lijsten van zich aldaar aangesloten hebbende schrijvers in 1946 mag wat dat betreft wel eens wat beter onderzocht worden, zeker bezien dat de enige onderduikende dichter, Aafjes, direct na de Tweede Wereldoorlog door de teruggekeerde SS’er met de Italiaanse naam, die het net zo goed deed in de grachtengordel als die andere dichter met de Italiaanse naam, die deze week overleed en een vergevingsgezind boek over de SS schreef – tja, misschien had ik mezelf Mudriani moeten noemen, want Martinus is toch net wat te latijn. Enfin, naamgenoot Martinus dus, die misschien niet geheel onterecht in 1946 concludeerde dat aangezien zo goed als alle schrijvers aangesloten waren bij de Kulturkammer het vrij zinloos was de lijst met namen vrij te geven.

Maar nee, hoe graag ik het ook zou willen, de politieke en maatschappelijke rol van Nijhoff is niet helemaal de reden dat ik hem irritant vind. Het zal wel het totaalplaatje zijn, de teneur van zijn werk, de middelmatige kwaliteit ervan, zijn maatschappelijke rol, en zijn agenda, die behalve op de eigen canonisatie toch wel erg dwingelandisch was naar de literaire wereld in zijn geheel. Wat dat betreft spreekt de volgende passage boekdelen, afkomstig uit het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde uit 1958, enkele jaren na het overlijden van Nijhoff:

“Het lijdt, dunkt ons, geen twijfel, dat het ontbreken van een in memoriam voor Nijhoff in de Jaarboeken van de Maatschappij, terecht verwondering heeft gewekt. Een rechtvaardiging van dit verzuim te bepleiten kan niet onze taak zijn hier op deze plaats; evenwel zou een mogelijke verklaring gelegen zijn in een feit, dat bij de figuur van Nijhoff schijnt te behoren, (en in zover ook past in deze late gedachtenis) n.l. een overvloed van herdenkingen, waarbij bijna niemand, die iets met zijn persoon en werk uitstaande had, zich onbetuigd heeft gelaten, terwijl anderzijds niemand zich als de vriend, de geestverwant, of de leerling waagde te qualificeren.”

Angst, dus. Niemand durfde de Grote Nijhoff van een in memoriam te voorzien. De man had gewoon 1000 kennissen en nul vrienden, zoals het een groot netwerker betaamt.

Maar hoe zit het nou met het vrouwbeeld in de poëzie van Nijhoff? Niet al te best, om het mild te zeggen. In dit gedicht vergelijkt Nijhoff de vrouw bijvoorbeeld opzichtig met een geslachtsziekte. Lees maar mee:

De vrouw in het rood

Gisteren-avond na het werken,
Liep, wijl ik wat uit Carmen floot,
Ik nog een straatje, toen ‘k ontmoette
Een vrouw, geheel gekleed in ’t rood.

Rijmelkampioen Nijhoff – je zou hem willen zeggen dat die dubbele ‘ik’ in regel 2 en 3 bijzonder lelijk is, dat het slecht loopt, het zo houterig is als een bos pollepels – maar dan herinner je je plots dat je een stuk schrijft over ideaalbeelden, en lees je verder:

Zij was een karmozijnen vlam,
Bloed-roode bloem, die de aarde ontsproot!
Ze vroeg, of ik wat met haar opliep –
Hoè weigeren zóó’n vrouw in ’t rood!

Die laatste regel is voor mij exemplarisch voor het type ‘lyriek’ welke Nijhoff representeert. Hoe we die moeten noemen, ik zou er zo een prijsvraag voor uitschrijven. Pollepellyriek?

Enfin, de vrouw dus als bloedend ding, als iets wat je oploopt. Je kunt de bloedende vrouw niet weigeren, want de Heer zond haar je toe.

Én toen wij hecht-gearremd liepen,
Voelde ik liefde fel en groot –
(Zijt gij dan, hart, nimmer verzadigd!)
Voor die gracieuse vrouw in ’t rood.

Én? Én?

We kwamen onder donkre boomen:
Toen, plots, zij me in haar armen sloot,
Haar lippen vonden mijne lippen –
O, de roode mond dier vrouw in ’t rood!

Voor de leek lijkt dit een saai einde van een saai, houterig gedicht, weer zo eentje welk rechtstreeks afkomstig lijkt uit een jehovagetuige brochure. Maar de geoefende lezer en filosoof ziet direct het verband met de demonisatie van het dierenrijk welke de patriarchale woestijnreligies eigen is: de brave burgerman wordt opgeslokt door de dierlijke rode mond, onder de donkere bomen. Een vrouw is bij Nijhoff iets wat je eerst oploopt, en voorts zal dit vreemde wezen je met huid en haar verslinden.

De sfeer van uiterlijke welstand, geestelijke rijkdom en steeds groeiende mogelijkheden bepalen zijn jeugd. Zijn moeder, een geborene Seyn, staat daar middenin, maar meer als een verontruste, een kritische, een in bijzondere zin bekeerde, die, reeds voor ze heilssoldate werd, met woord en daad zei wat de jonge getuige op het plein in ‘Awater’ in de mond gelegd wordt: ‘Wij leven, zegt zij, heel ons leven fout’ – en ‘Liefde zegt zij, wordt nooit vergeefs vertrouwd’.

De fout, de rode fout. Maar wacht even, schreef ons rijkeluiszoontje niet een van zijn eerste gedichten over de antipool daarvan, het groen? Juist:

Het juffertje in het groen

Nauw is de steeg, moeilijk de pelgrimstocht,
Die naar uw zuivre heerlijkheden voert –
Het bartje is flesch-bewand en hout-bevloerd:
Hier is het, waar ik uw bedwelming zocht!

En als ge weer ten toonbank voor mij staat –
Uw lichaam is groen-glanzend, vol en rond,
Gracieus zich plooiend tot eenen wijden mond –
Is ’t of ge wenkt, als mijn mond tot u gaat.

Als onze monde’ ontmoeten in een kus,
Drink ik uw vuur’ge kus, wijl ik zoo mijn
Brandend verlangen met uw branden blusch;

En uw begeerte is slechts in mij te zijn:
Om in mij òp te gaan in éénen zoen –
Zoo is de liefde, juffertje in het groen!

Is Nijhoff de Aartsvader van de METOO? Want wat moet je van een jongeling vinden, die schrijft dat ‘uw begeerte is slechts in mij te zijn’? De vrouwelijke begeerte heeft geen bestaansrecht, behalve door de dichter. Cynisch sluit onze rijmelkampioen af met ‘zo is de liefde nu eenmaal, juffertje groen’.

Tja. Ik kan natuurlijk lang doorgaan, maar nodig lijkt me dat niet. Het vrouwbeeld bij Nijhoff is een verschrikking. Een soort demonische entiteit, die steeds maar bezit van hem wil nemen, en welke hij dan het recht heeft te kastijden tot tuchtige eenheid.

Maar het was natuurlijk beter dan die weirde pedofiel Achterberg. Over verknipte vrouwbeelden gesproken! Zit er iets in onze cultuur dat maakt dat wij juist scheppers van verknipte vrouwbeelden verheiligen? Een soort kern van misogynie?

(Wordt vervolgd)