Voorafgaand: hoe de taal bij Nijhoff wanneer die vrouwen beschrijft altijd agrarisch wordt, de vrouw is koe of geslachtsziekte. 

Dat deze notoire seksist in het midden van de vorige eeuw tot poëtisch boegbeeld werd verheven komt niet omdat er geen dichters waren die wel progressief met poëzie en de maatschappij omgingen, maar omdat politieke wenselijkheid in Nederland bij de keuze van boegbeelden altijd een grote rol wist te spelen. Er zijn weinig landen waar de schrijverskaste zich zo mak door de politiek laat dicteren dan in Nederland –  en dat is zo omdat die politiek een enorme rol speelt in de selectie van wenselijke schrijvers. 

Terug naar Vasalis. Een van haar mooiste gedichten is welzeker ‘Misthoorn in de herfst’ uit haar bundel ‘de vogel phoenix’. In het gedicht tref je de meest vreemde regelafbreking aan die ik ken uit de Nederlandse literatuur: Vasalis breekt het woord ‘even’ af als e-ven:

Toch is het soms alsof de meeuwen e-
ven verpozen op een ijl geboomt
van witte takken, die de nevel droomt
— de nevel is de doodsgeest van de zee —

Juist in dit fragment zie je duidelijk wat Vasalis dichterlijke kracht is: ze breekt de tijd zelf als de zee, waardoor EEEE VEN een stukje concrete poëzie wordt, het geluid van een meeuw indachtig, het dier dat zelf ook een tijdsaanduiding in de naam heeft. Wonderlijk! En je moet het maar durven, in een land waar de taalnazi het hoogste is dat de gegoede burgerij zich in weet te beelden.

In het volgende stanza doet Vasalis er nog een prachtig schepje bovenop, door van ‘stenen’ een werkwoord te maken:

En ’s nachts, als de witte vooglen zijn verdwenen,
wanneer de zee in ’t donker langzaam danst,
hoort men de stem, diep in de mist verschanst,
in eenzaamheid gesmoord, beklemmend stenen. 

Hoe treffend is precies deze gewaagde metafoor, en hoe dichterlijk! Een stenende stem in de mist. Niemand weet wat het betekent, en toch betekent het zoveel. Het zou precies zijn wat een misthoorn doet, een schip waarschuwen voor rotsen en stenen.

Dit is de tegendraadsheid en de dichterlijke genus welke iemand tot een groot talent maakt. Een bang persoon zou zich nooit aan zulke regelafbreking of vreemde werkwoorden wagen, want de kroontjesgieren lezen immers mee (een soort antipool van de phoenix?)

Heel boeiend zijn ook de verschillen tussen de prachtige eerste druk van de bundel, verschenen in 1947 bij Stols in ‘s-Gravenhage (ik neem het bewust over, want Den Haag is zo’n banalisering) en de latere herdruk van de bundel door de Amsterdamse grachtenmachine, door van Oorschot in 1965. De oorspronkelijke bundel is gezet in de letter Romanee van J.van Krimpen, een prachtig font, maar waarschijnlijk vond van Oorschot de licentie te duur, dus heeft hij een letter gezocht die op het origineel leek, en wonder boven wonder vond hij een lettertype met nagenoeg dezelfde poot onder de X, met de nadruk op nagenoeg, want het gekozen font heeft verder flink aan sierlijkheid moeten inboeten.

Het tegendraadse van de ‘openingsDE’ die in het oorspronkelijke ontwerp juist de andere kant op wijst maar bij van Oorschot een soort lelijke benadrukking gaat worden: en dat alles om een paar gulden te besparen, precies hier ligt de grens tussen de dichtbundel en literatuur voor de massa. Kijk ook hoe het oorspronkelijke font de letters OE samenvoegt en hoe de poot precies naar dat midden wees, allemaal afwezig in de nieuwe versie.

kloon en origineel

Verder heeft van Oorschot van alles en nog wat in de gedichten aan zitten passen, waarschijnlijk vanuit het idee dat de nieuwste gangbare spelling broodnodig moest worden toegepast. Een verantwoording en dus een antwoord op het ‘waarom’ daarover ontbreekt volledig, waarachter je opnieuw haast en centjes vermoed.

De massaproductie van literatuur. Snel, veel, niet zeiken. De grap is dat de mensen verantwoordelijk voor die massaproductie, het kartel van uitgevers in Amsterdam, het klaar hebben weten spelen dat juist zij te boek staan als de voorvechters van ‘literaire kwaliteit’. Dat is dan weer het voordeel van aapjes die op een kluitje zitten. Je vertelt ze makkelijk welke schrijver gewenst is, en al even priesterlijk is de fabrieksdirecteur van de massaschoen de hoeder van de meest ervaren of gedreven schoenmaker. In Amsterdam, daar kan het allemaal!

Wat de vraag opwerpt of de impopulariteit van literatuur niet een heel andere oorzaak heeft dan deze kartel ons wil doen geloven? En dus ook of die zwijgzaamheid van Vasalis met de afkeer te maken had voor centjesjagers in dure pakhuizen?