Op facebook dienen zich twee heerschappen aan, die mij verwijten Nijhoff niet correct te duiden. Zo zou bijvoorbeeld ‘ik liep wat met haar op’ niet op een geslachtsziekte wijzen maar simpelweg om een wat oubollige manier om uit te drukken dat je met iemand een tijdje samen loopt.

Mijne Heren, wilt u nu daadwerkelijk het standpunt innemen dat Martinus Nijhoff zich niet bewust was van de dubbele betekenis van deze taalconstructie? Dat Nijhoff niet wist dat de zin dubbelzinnig te duiden was? Dat is toch in het licht van zijn vermeende dichterschap en taalbrille totaal ongeloofwaardig?

Ook de opmerking dat ‘Het juffertje in het groen’ een alcoholisch drankje was en geen vrouw slaat de plank volledig mis. Immers, de dichter projecteert wel een vrouwbeeld op dat drankje, en dat had ook een vrouwvriendelijk, of een bits feministisch beeld kunnen zijn – maar niets van dat alles, de dichter maakt er juist een gedwee en gewillig drankje van, wat zowel het gedicht een stuk saaier maakt als zijn wereldbeeld.

Kom nu toch mijne heren, welk een gedeprimeerd beeld koestert u van deze man, die u verdacht genoeg ook nog voorwend te aanbidden? Er is toch geen persoon in Nederland die de lagere school wist af te maken die niet zou weten van de dubbele betekenis betreffend het woord ‘oplopen’, laat staan een gevierd dichter. Nee, de enige mogelijke conclusie moet hier zijn dat Nijhoff doelbewust deze hint naar een geslachtsziekte in het gedicht heeft verwerkt. En dat hij ook doelbewust een gedwee en willoos vrouwbeeld op een drankje projecteerde, waardoor hij de twijfelachtige eer ten deel viel het eerste alcoholische METOETJE van het millenium te hebben veroorzaakt en een nieuwe dimensie en betekenis aan het woord ‘drankmisbruik’.

Nee, mijne heren, u moet als volwassen mensen toch beter weten. Deze rijke telg uit een uitgeversfamilie, ingehuurd door een oom om aandacht te trekken voor de bestseller van dat jaar (Agatha Christie’s Moord op de Orient Express, waarvoor Nijhoff het warmmakertje Awater schreef) – het idee dat dit gewiekst rijkeluiszoontje, bereid om zijn poëzie in te zetten ten gunste van het familiekartel – hoe komt het in vredesnaam toch dat mensen juist hier een gebrek aan taalkennis denken moeten zoeken?

En het is toch niet zo, mijne heren, dat ik grote moeite moest doen om deze twee passages in het werk van Nijhoff op te sporen – het waren simpelweg de twee eerste gedichten die zich aandienden bij mijn speurtocht op Google. Als zo’n eenvoudige steekproef twee gedichten oplevert, de eerste met een overduidelijke dubbele bodem naar de vrouw als geslachtsziekte (de kleur rood is ook traditioneel wat dat betreft) en het tweede gedicht een willoze vrouw projecteert op een alcoholisch drankje – soit, hoe groot is dan de kans dat deze steekproef representatief is?

Komt u toch liever met progressieve voorbeelden op de proppen, waar zijn al die gedichten dan waarin Mijnheertje Nijhoff de positie van de vrouw bevraagt en voor betere rechten vecht?

Nee, u weet het zelf ook wel – het boegbeeld Nijhoff is bekrompen, conservatief en, zoals het boegbeelden betaamt, bijzonder houterig.

Wanneer men de cultuur beziet als iets wat de politiek zou moeten representeren – ja, dan is de keuze voor zo’n aartsconservatief en saai boegbeeld begrijpelijk.

Beziet men echter de cultuur als voorlinie voor de maatschappelijke ontwikkeling – als aanjager van de vernieuwing, als inspiratief in plaats van didactisch? Dan was de keuze voor Nijhoff in de dertiger jaren van vorige eeuw schier onbegrijpelijk.

In de 3oer jaren van vorige eeuw, inderdaad. Er 90 jaar later nog eens voor kiezen, zoals het CPNB dat deed, en voorts twee mannen vragen dat thema te gaan invullen dat is, nou ja, verzint u het superlatief toch vooral zelf, dames of heren.