Wij leven in de nachtmerrie van elke schrijver – een land waar iedereen schrijft en niemand leest. Het land waar het verschil tussen verguisd en populair 100 volgelingen is op facebook.

Je zou denken dat het leven in zo’n nachtmerrie voordelen kan bieden. De absolute eenzaamheid van het niet-gelezen-worden zou je als schrijver bijvoorbeeld tot grote hoogtes kunnen stuwen.

Een romantisch idee, wellicht, ach, na vier jaar absolute eenzaamheid in de kempische woestijnij heb ik recht op wat romantiek. Dus las ik wat polemische boeken van Jeroen Brouwers, de zelfbenoemde gevaarlijke vulkaan van de Nederlandse Letteren.

De gedachte drong zich op dat ik heel wel ook de Jeroen Brouwers van mijn tijd had kunnen worden, ware het niet dat ik alle polemiekjes tegen allerlei muurbloempjes en non-entiteiten heb gewist, omdat ik het allemaal niet de moeite van het bewaren waard vind. Verstandig is dat natuurlijk niet, want de vijandschappen die ik ermee maakte blijven gewoon voortbestaan, en enige naslag over het waarom van zulke gevoelens ontbreken voortaan. Wat dat betreft is de monnik Brouwers een stuk slimmer: hij tekent meedogenloos de mechanismes op achter de literaire consensus in de 70er en 80er jaren, en vereeuwigt zo allerlei lanterfanters, parasieten, nietsnutten en ander gespuis.

Maar wil ik nu echt pagina’s vol gaan pennen over de Henk Spaantjes van deze tijd? Zou ik dat doen, dan zou al dat monnikenwerk van Brouwers voor niets zijn geweest. Hij heeft immers al vlekkeloos laten zien dat de consensus zo corrupt is als een Helmondse Zonnekoning. Nee, Brouwers heeft al dat werk gedaan om ons te bevrijden van deze nood: Brouwers is de christus van de nederlandse literatuur, hij offerde zich op om ons van deze zonde te bevrijden.

Mag ik bij deze Dhr Brouwers eens uit de grond van mijn hart bedanken. De gedachte dat ik niet mijn halve leven aan stukken over Joost Baars hoef wijden vult mij met pure weemoedigheid. En dus hoort u mij tegenwoordig geen woord meer reppen over de flapdrollen, lorejassen, slampampers en tafelschuimers. Laat ik mij beperken tot de filosofie en de sublimatie van het ideaal in de letteren, door Nietzsche geformuleerd als Amor Fati – de liefde voor het noodlot.

Liefde, dus, liefde voor het feit dat je een schrijver bent in het land waar niemand leest. Kun je daar daadwerkelijk liefde voor ontwikkelen? Het lijkt in eerste instantie een onmogelijk opgave, dit hele Amor Fati – hoe zou je dat in vredesnaam aanpakken?

Het antwoord is: niet. Want Amor Fati is geen onderdeel van de maakbare mens.

Een onmogelijk te realiseren ideaalbeeld, dus? Of juist een onwrikbare natuurkracht? Maar Amor Fati is voor een doorsnee mens toch het ondenkbare, eigenlijk, het is niet voorstelbaar de eigen ondergang lief te hebben. In die zin echter keren we hier weer terug naar Brouwers – Christus als Dionysus? Nee, er zit nog teveel beklag in Brouwers, eigenlijk te weinig vernietigingsdrang.

Van Brouwers gaan we naar Berryman. Vaak had ik het met Wigman over Berryman, die volgens mij de referentie weer van Nick Cave had, want Wigman was een groot Cave fan. Dit gedicht uit zijn verzamelde werk las ik vandaag en zou zo door kunnen gaan voor een goed hittegolfgedicht:

Een amerikaanse vriend van me, Dale Houstman, met wie ik ooit samen een boek uitgaf – hij vertelde me dat hij parkeerwachter was van het parkeerterrein waarop het lichaam van Berryman werd gevonden nadat hij van de brug sprong. Overigens mikte de dronken Berryman niet op de rivier maar sprong hij doelbewust op de parkeerplaats zodat hij zeker dood zou zijn. De politie moest zijn duim eraf zagen om de vingerdruk te nemen, zegt Dale, en die kan het weten – de agent in kwestie is zijn schoonvader.

Wordt vervolgd – kijkt u ook nog de mooie recitatie hieronder: