Laatst had ik het al over de rampzalige effecten die het stadsdichterschap hebben op het publieke beeld van de poëzie. Rijmpjesbakkers en godvergeten amateurs worden op een voetstuk geplaatst om op middeleeuws aandoende wijze de poëzie belachelijk te maken, nooit ging het aanzien van de poëzie sneller te gronde, zelfs Kopland, Vinkenoog en Campert kregen de vertrutting niet zo snel voor elkaar: het stadsdichterschap is een decadent wondermiddel om de teloorgang van de poëzie flink te bespoedigen.

Zo heeft Middelburg schijnbaar een stadsdichteres die Anna de Bruyckere heet. Ze schreef een knullig werk voor in een boekwinkel. Dat amateurisme is de poëzie duur komen staan, want opnieuw is de kunstvorm op negatieve wijze in het nieuws, allemaal dankzij een regel van deze dame.

Zie ook:

Ophef over dichtregel in boekhandel Middelburg: ‘Dit is wansmakelijk’

Nu gaan er allerlei stemmen op van mensen die vinden dat je ‘verguisd en prettig vergast’ kunt schrijven zonder je bewust te zijn dat deze woordcombinaties een bepaalde associatie oproepen.

Ik citeer hoogleraar Marc van Oostendorp, in een facebookreactie naar mij:

Ik : het raakt juist het wezen van de hele discussie rond poezie: is een dichter verantwoordelijk voor de dubbele bodems in het eigen gedicht ja of nee? Als het antwoord ‘nee’ is hier zoals mensen beweren kun je wat mij betreft de poëzie bij het grof vuil zetten.

Marc: Ik snap je punt wel dat het amateuristisch is om net te doen alsof je als dichter niets te maken hebt met de vele manieren waarop iemand een gedicht kan interpreteren, maar het probleem is dan wel weer een beetje dat er net zoveel interpretaties zijn als er mensen zijn.

De consequentie van die stelling is dat het werkwoord ‘vergasten’ voortaan taboe is voor iedere dichter, in welke context dan ook, want het is altijd dubbelzinnig. Bovendien neemt mevrouw Wijnberg kennelijk óók aanstoot aan ‘verguids’ dat ze associeert met het Joodse volk; dus ook dat zou je niet meer moeten gebruiken.

In dit geval gaat het om ‘dubbelzinnigheden’ die alleen een bepaald individu erin ziet, en ik weet niet of dat nu ook onder de verantwoordelijkheid van de individuele dichter valt.

Ik zou juist het tegendeel durven beweren hier: het probleem schuilt hem niet direct in het verouderde werkwoord vergasten, maar in het vreemde gebruik van het woord ‘verguisd’ om de klanten van een boekwinkel mee te beschrijven.

Hoezo zijn de klanten van een boekwinkel verguisd? En worden ze vervolgens ‘prettig vergast’?

Dat deze combinatie van woorden miljoenen betekenissen kan hebben ben ik het niet met Oostendorp eens, dat is magisch denken; in de praktijk zijn er drie of vier betekenissen die een lezer kan overwegen, en na het lezen van voornoemd gedicht zijn er maar twee conclusies mogelijk:

  1. De dichteres is een amateur die taal gebruikt zonder over de voor de hand liggende interpretaties na te denken
  2. De dichteres is een professioneel dichter die doelbewust deze constructie gebruikte.

Het tweede geval is ernstig. Je haalt een (vast niet zonder reden) verouderd werkwoord van stal, suggereert dat er ‘met verachting over je wordt gesproken’ en dat je daarna heerlijke vergast wordt, nee, kom mijnheer Oosterhoff, in 99 van de 100 gevallen leest dat als akelig commentaar.

Er werd weer eens iets gevierd

Ze moet wel een vreselijke hekel hebben aan die boekwinkel De Drukkery, want ook de andere gebruikte werkwoorden doen denken aan een gevang: geregeld, geklonken, uitgekeken. De sfeer is absoluut naargeestig, in de opvolgende zin is zelfs sprake van ‘Ik ben waar wordt verwend, gevierd.’

Het is alleen zwaar cynisch te lezen. De keuze van de werkwoorden, voor welke alle vrolijker of betere woorden voor handen waren, nee Mijnheer van Oostendorp, het is toch ondenkbaar dat dit alles van het toeval aan elkaar hangt, en men het stadsdichterschap vergaf aan een leeghoofdige amateurdichteres?

Nee Mijnheer van Oostendorp, hoe wrang ik dit stukje ook begon, zo ongelofelijk veringmart kan de wereld toch nog niet zijn?