Ooit had Mierlo een van de mooiste bibliotheken van Brabant. Onder invloed van allerlei politieke nosferati en andersoortige malloten is dat inmiddels een schitterende ontmoetingsruimte waar je heerlijk met de laptop kunt netwerken. Tegen de achtermuur staat nog een kastje met leuke boeken.

Zou men een bepaald punt moeten benoemen waar het liberalisme verdween en het neoliberalisme het overnam, ik zou het moment selecteren toen bibliotheken plots onder het kijkcijferbewind van radio en televisie bleken vallen.

Niet het verzamelen en preserveren van kennis bleek de missie van de bibliotheek maar het trekken van bezoekers. Hoeveel platenzaken gingen failliet omdat plots de bibliotheek een concurrent moest worden? Niemand heeft het bijgehouden. De plek bij uitstek om juist wel het boek te promoten werd de plek bij uitstek waar men poogde de gekste capriolen uit te halen om de politiek maar tevreden te stellen: tegenover de jaarlijkse subsidie stond de prestatie van de bezoekersaantallen.

Exposities, lezingen, muziek, digitheek, netwerken, gratis internet – dit alles ten koste van de kerntaak van elke bibliotheek: het aanleggen van een interessante collectie.

Een wat? Een collectie? Wat een duur woord zeg. Mijnheer is zeker elitist? Waar heeft hij het over? Gewoon wat doorsnee boekjes in huis hebben en wat laptop plekken, klaar. Eppo van Nispen, de oude directeur van het CPNB, was voorheen directeur van een bibliotheek. Fameus is het interview waarin hij aangaf als bibliotheekdirecteur nooit boeken te lezen. Vervolgens werd hij benoemd tot directeur van de belangrijkste boekenorganisatie ter lande.

De redenatie? Eppo was zo leuk. Leuke man. Je had geen last van hem, hij was helemaal niet directeurerig. Hij liet gewoon alles aan jou over, feitelijk had jij de macht. Daar heb je het dus weer. Die fameuze antiheldencultuur van mijn generatie.

Recentelijk ben ik lid geworden van de Leidse universiteitsbibliotheek. Meteen viel het me op dat in de sectie Nederlandstalige literatuur zo goed als elke Nederlandstalige schrijver of dichter compleet ontbreekt, tenminste, als ze na 1950 geboren zijn. Een paar schamele dichtbundels uit de moderne tijd, en verder alles van Vondel, Bredero en Multatuli. Het opbouwen van een collectie heeft ook hier duidelijk geen prioriteit. Ergens begin jaren 50 moet er een decreet door het bestuur zijn vervaardigd  ‘stop onmiddelijk met het verzamelen van nederlandse literatuur, het is leuk geweest, the show must go on’. Zelfs Leiden-student par excellence Ilja Pfeijffer is slechts karig aanwezig. Nee, wie hier studeert heeft maling aan de literatuur van afgelopen 60 jaar.

Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig. Als zo’n beetje de enige organisaties die de ontlezing zouden moeten tegengaan van de ontlezers vergeven zijn – lieden die bij het horen van het woord ‘collectie’ kijken of ze broodnodig naar het toilet moeten  – ach, het is allemaal vechten tegen de bierkaai. Lang leve de ontmoetingsruimte met gratis koffie en gratis internet! Lang leve de leuke boeken! Oude koeien uit de sloot halen moet tot kunst worden verheven. Daarom ga ik het morgen weer over Nijhoff hebben, we moeten wel, de rest is immers eeuwig afwezig.