Erik Linder leerde ik kennen ten tijde dat hij nog recensies schreef voor de Groene. Die kennismaking was wat moeizaam, mede omdat hij me te kennen gaf dat hij mijn bundel diverse malen door de kamer had gesmeten bij het recenseren, wat ik een nogal eigenaardige aandoening vond, die eigenlijk alleen door kinnesinne kan worden veroorzaakt. Ik gooide nog nooit een bundel door de kamer. Toch was Lindner geen slecht recensent, zijn recensies hadden altijd kritische kanttekeningen en waren goed geschreven.

Dichteres Rinske Kegel (waarom heeft zij nog geen debuutbundel bij een goede uitgever?) vertelde me ooit dat ze Lindner had zien optreden en dat hij ‘gedichten voordraagt alsof hij hoognodig moet poepen’. Dat beeld kreeg ik later helaas mijn hoofd niet meer uit, en een titel als ‘Zog’ helpt dan niet, want dat klinkt wel erg als een scatologische mondbeweging.

Heeft deze dichter zijn plek verdiend in de Nederlandse literaire canon?

Wat mij betreft wel. Lindner raakte ooit geïnspireerd door de door Erika Dedinszky vertaalde gedichten van Janos Pilinszky, destijds uitgegeven als de bundel ‘Krater’. Het stak hem geloof ik dat ik meer van Pilinszky had gelezen dan hij, en dat hij het twintig jaar later nog steeds regelmatig over de man heeft duidt een beetje op de typische desinspiratie van een te regelmatig bestaan. Waarom zouden Csoori of talloze andere dichters minder het vermelden waard zijn?

Gedichten kunnen zich op diverse bron stoelen. Je hebt gedichten die vooral uit beelden bestaan, je hebt talige gedichten, je hebt gedichten gebaseerd op ideetjes, maar Lindners poezie is niets van dit alles, het zijn gedichten die bogen op observatiekunst met veel camerabewegingen erin, zoals in heel ouderwetse ‘experimentele films’. Een groot probleem waar Lindner tegenaan hikt is dat de minimalistische gedichten van de latere Pilinszky, die eigenlijk zijn grote voorbeeld zijn – die gedichten gaan gepaard met een noodlottigheid en zwaarte die bij Linder ontbreekt. Erik Lindner vertrouwt teveel op zijn zintuigen.

Waar plaats jij deze dichter in die literaire canon?

Een dichter die vooral in de jaren 90 zijn voornaamste bundels schreef, vormvast als Kouwenaar, en ik zie nog wel meer overeenkomsten tussen zijn werk en dat van Kouwenaar. Zou ik zijn poëzie moeten positioneren dan zou het een plek zijn tussen Kouwenaar en de volstrekt onttaalde poëzie van Daniel Vis in.

Is de poëzie ook naar jouw smaak?

Nee, deze poëzie is mij te kaal en te aards. Het uitkleden van de taalkunst tot louter observatie bevalt mij niet, omdat het veel te veel vertrouwen schenkt aan de bedrieglijke zintuigen. Ik zou deze bundel zelf nooit aanschaffen, maar kan me voorstellen dat er aardse types zijn die hier juist wel van weten genieten. Laat duizend bloemen bloeien.

Wat zijn de beste gedichten in de bundel?

Eigenlijk is de bundel min of meer een lange stroom observaties. Misschien is het probleem ook wel juist dat de observaties me niet kaal genoeg zijn. Bijvoorbeeld:

de zoete geur van het brandend zand
de zoute geur van het wier

Maar als je de geur van zand wil beschrijven, brandend of niet, dan volstaat het woord ‘zoet’ gewoon niet. Juist hier zou de lezer poëzie nodig hebben. De geur van zand, hoe beschrijf je dat? Lindner maakt zich er veel te gemakkelijk vanaf. Dat is geen kaalheid, en ook geen goede observatiekunst.

Lindner probeerde met deze bundel naar mijn idee het ultieme zeegedicht te schrijven.  Het is stroperige, wereldse poëzie waarin de dichter geen verantwoordelijkheid neemt en slechts aanwezig is als zogenaamd objectieve observator. Taalkundig is er bijzonder weinig te beleven, wat de bundel dan wel weer iets eigentijds geeft – deze laatste opmerking dient u als een gifbeker te consumeren.

 

DichterSoort PoëzieBelang dichterNetwerkgehalteAanrader?
Erik LindnerObservaties, minimalismeminor poet78%, treed vaak in het buitenland op maar is gebaseerd op netwerken. Binnenlands netwerk geringer.Nee