De poëzie van Mischa Andriessen heeft iets vreemd kinderlijks. Ik ken Andriessen van de Buddinghprijs. We moesten toen allemaal een filmpje inleveren. Mijne was een filmpje met mobiel gemaakt, waarin ik filmde dat ik op een terras in Istanboel vloekend met Ilja Pfeijffer zat te discussiëren. Ik had de zaal lachend op mijn hand. De film van Andriessen was een vreemd filmpje waarin een reiger de hoofdrol speelde. Die reiger werd later onderwerp van veel incrowd humor, omdat velen meenden dat Andriessen de prijs niet had verdiend.

Ik kan melden dat Andriessen in de vervolgbundel ‘Huisverraad’ een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt. Niet langer is er sprake van een reiger, er figureert nu een heuse aalscholver in de bundel. Andriessen schets stilleventjes met behulp van simpele anekdotes. Het procedé is vrij kinderlijk, ik schud zo een Andriessen uit de mouw:

<Een of ander Grieks woord>

Wij zijn ontsteld. Een zwerm spreeuwen schettert.
Een naakte man leunt tegen een muur.
Wat er allemaal niet overblijft. Het zwart
achter de muur, een vrouw in de verte,
een geiser in het gedroomde landschap
en een hand die in de ijzige grond steekt.
Maar achter die muur.
Iets glijdt.

Het is simpel te maken, poëzie die boogt op de ‘suggestie’. Bovenstaand werkje schreef ik in drie minuten, en niemand zou het verschil opmerken als het in Andriessens bundel had gestaan. Het werkt op een bepaald type lezer – de gehaaste lezer, die snel genoegen neemt en de suggestie van spanning verwart met echte spanning. Zoals in bovenstaand gedichtje – goh er is een muur, een naakte man, een vreemd element (de geiser) en de suggestie van iets dreigends achter de muur. Het lijkt net echt spannend, maar die spanning is volslagen pseudo.

Andriessen heeft dat trucje ooit ontdekt. Hij vult er bundel na bundel mee. Zijn bundels worden bij internetbladen bijna altijd heel matig ontvangen, een grote discrepantie met de grote kranten, waar men verzot op hem lijkt – een verdachte tweespalt. Want wie zijn er oprecht? Ik denk het wel te weten.

Goed, naar de gedichten. Twee dingen vallen eigenlijk in het oog: taalarmoede en beeldarmoede. Ik zal beiden met voorbeelden illustreren. Maar laat ik beginnen met de befaamde aalscholver:

Les II

Een aalscholver op een lantarenpaal
vleugels gespreid – je kunt niet verder
eer je droog bent, ook dat is evolutie.
Zink weg, draai om de as, kom boven
drijf stil als een steen aan het dier voorbij,
peddels als een dwarslat op de kajak. 

Het idee dat een natte aalscholver niet kan vliegen klopt natuurlijk niet. Het is wel zo dat aalscholvers vaak de veren laten drogen om beter te kunnen duiken. Het adagium Show, don’t tell lijkt aan Andriessen niet besteed. Elk element in het stilleventje wordt droog omschreven. Maar zelfs in dit korte fragment hierboven kom je beeldarmoede (‘drijven als een steen’) en taalarmoede (‘peddels als een dwarslat’) tegen in een heel kleine ruimte. Kijk, een stad die onder water liep is natuurlijk kinderlijk spannend, dat snap ik ook wel. Wat ligt er allemaal onder dat water? Wat zit er allemaal achter die muur? Suggestie.

De meeste gedichten lijken gestoeld op kinderherinneringen, en dat was in Andriessens debuutbundel ook al zo. En dan met name de padvinderij. Vermoedelijk heeft Andriessen spannende avonturen weten beleven als akela. Hou je van dat soort jongensavonturen, dan is de kans aanwezig dat de bundel je zal smaken. Wel mengt Andriessen, heel slim, er af en toe een verwijzing naar bijvoorbeeld de tweede wereldoorlog door. Dan denk je, dat woord ‘kamp’, zou het dan toch niet…is het… maar nee wel bekeken heeft hij het gewoon over het tentenkamp waar hij zijn troep later zal afzetten.

Een typisch padvindergedicht:

CONDITIE

‘Jullie wilden toch overleg?’
Jonathan in het midden van de kring bleef stil,
de anderen knikten een voor een
terwijl ik langs liep.
‘Hoor jij iets?’ vroeg ik Kai,
die sneeuw wreef over de vingers
waarop ik zojuist was gaan staan. 
‘Ik vraag het niet nog eens!’
Hun naakte jongenslijven waren wit.
‘Ik snap het niet,’ zei ik nu zacht. 
‘Ook ik ben moe en heb het koud’.

Bent u er nog? Mooi. Nou ja, wat moet je hier verder nog van zeggen. Het is middle of the road van de middle of the road, flets, karig, bijna dodelijk saai. Schijnbaar zijn er mensen die dat het liefst als poëzie willen bekronen. Wat hun motieven daarvoor zijn, daar kan ik alleen naar raden.

Of dit:

Dodge

Een brede grijns brak door.
Je had het karkas ook gezien.
De bramenstruiken in de portieren,
het schuimrubber dat door het leer
van de zittingen naar buiten kwam,
de barsten als vingerlijnen in de voorruit. 

Vingerlijnen? Andriessen bedoelt natuurlijk handlijnen.

De poëzie heeft iets autistisch. Regelmatig schemert een bloedhekel aan koffievlekken door. En ook een storend soort seksisme, kijk bijvoorbeeld eens naar dit gedicht:

Mekka

Haar kont bolde
haar rok. ‘Mooi,’
zei ik, ‘mooi rond.’
Even keek ze om. 
Haar ogen vonkten. 
‘Lang?’ vroeg ik. ‘Wat?’
zei ze. ‘Dit,’ zei ik
‘mooi schoonmaken.’
‘Nee,’ zei ze, ‘ik bid.’

Taalarmoede is het, vier keer ‘zei ik zei ze zei ik’ in zo’n kleine ruimte. Ja, Andriessen, als moslims bidden kun je hun achterwerk zien. En dat kun je verwarren met poetsen! Hohoho. Seksuele intimidatie van een minderheid. Waarom? Het blijft in de lucht hangen, zoals alles in deze bundel. Die absentie van enige verklaring is wel verontrustend in dit geval, maar niet op een goede manier.

Genoeg tijd hieraan besteed. Komisch is dat in een lang boos schoolopstel ingestuurd als reactie op een negatieve recensie van Willem Thies in de poëziekrant Andriessen zichzelf met Lucebert vergeleek. Die vergelijking is zo van de pot gerukt dat hij in tegenstelling tot bovenstaand gedicht wel op de lachspieren werkt.

Andriessen bleek laatst plots na commissielid voor de oeuvrebouwers plotsklaps commissielid voor de ervaren schrijvers te zijn geworden bij het Letterenfonds. Een groep waar hij zelf nog een paar eeuwen niet tot zal behoren.

DichterSoort PoëzieBelang dichterNetwerkgehalteAanrader?
Mischa AndriessenStilleventjes schetsen met anekdotesminor poetNiet uit het Letterenfonds weg te branden Nee