Open brief aan de Dichter des Vaderlands,

Beste heer Bruinja,

Ik ben geen klimaatontkenner. Het klimaat bestaat, daar ben ik me doorgaans bewust van. En ja, de mens heeft daar invloed op. Zo kun je bijvoorbeeld een goedkope Chinese paraplu openklappen, om je tijdens een klimaatmars te beschermen tegen dat verschrikkelijke klimaat. Wat ik wel vaak ben, een poëzieontkenner. Dan lees ik weer eens wat, en dan denk ik: dat is verdorie helemaal geen poëzie. Ik moet bekennen dat ik daar bij uw werkjes bovenmatig vaak last van heb.

Maar dat geeft niet, want toen u na jarenlang lobbywerk het eindelijk tot Dichter des Vaderlands wist schoppen gaf u in een interview zelf aan dat, tja, u nu eenmaal niet de beste dichter bent die voor handen is. Ik moet zeggen dat dat vanaf de zijlijn bezien wel een merkwaardig gezicht is, zo’n aapje dat jarenlang driftig probeert de top van de heuvel te bezetten en als hem dat eenmaal lukt zo’n bekentenis dat hij daar eigenlijk niet thuishoort. Je bent dan al snel geneigd te denken, wat een stom aapje, zoek een andere hobby. En toen u meteen ook van uitgever wisselde, hup naar Querido, toen moest ik plots weer denken hoe u als lid van de Raad van Cultuur organisaties afhankelijk van uw subsidieoordeel brieven stuurde waarin u stemadviezen verstrekte om vooral maar op Bruinja te stemmen voor Dichter des Vaderlands.

Wat een engagement, dacht ik toen. U verloor echter van dat soapsterretje dat een tijdlang een dichter nadeed, Ramsey Nasr. Maar nu is het u dan eindelijk gelukt, inclusief de bijbehorende bekentenis van bescheidenheid. En nu sla ik, een dag na een zogenaamde terreuraanslag, met angst en beven de krant open – hoe gaat Tsead Bruinja vandaag weer de poëzie politiek nuttig maken?

Ik denk dat u aan het einde van uw roemruchte periode ongeveer een hele krant zult hebben overgeschreven met andere regelafbrekingen. Engagement, mensen vertellen wat ze al duizend keer hebben gehoord. En dat terwijl een goed gelegenheidsgedicht juist een heel ander kenmerk heeft, namelijk dat het een taboe weet aan te snijden, een nieuw, een gevaarlijk, tegendraads, bijzonder perspectief. De poëzie kent juist een lange traditie van het de pen opnemen voor het afstotelijke, het onbegrijpelijke. Maar u schrijft als de persvoorlichter van Jesse Klaver.

Ik merk dat ik deze brief met milde tegenzin schrijf. Daarom ga ik me hier, middenin de brief, tot een ander richten. Ik richt het woord aan Luuk, die op facebook het account van Jesse Klaver beheert. Mijn lief ontdekte uit welke Chinese paraplufabriek de klimaatparaplu’s afkomstig zijn. Op de promotievideo van de fabriek zie je allemaal chinezen die in zgn. ‘kantoorcubicles’ in een ‘kantoortuin’ bezig zijn hun goedkope parapluutjes te slijten aan het westen. Luuk, kun jij eens aan Jesse laten weten dat de Dichter des Vaderlands het eens over deze vorm van bio-industrie moet gaan hebben?

Vroeger, toen had je op kantoor een eigen kamer. Dat is allang verleden tijd, de eufemistische ‘kantoortuin’ werd uitgevonden, hokjes waar de kantoorboer op je vingers kan kijken of je wel genoeg eieren legt. Luuk, zeg eens eerlijk: hebben ze op het hoofdkantoor van Groen Links een kantoortuin? Is Groen Links ook de partij voor de kantoordieren?

Wat gaat Groen Links ondernemen tegen dit verschrikkelijke verschijnsel, hoe gaan jullie het recht op een eigen kamer wettelijk invoeren? Ja, Jesse is op campagne, ik weet het nu wel, maar jij, Luuk, vertel eens wat eigenlijk jouw mening is? Ga jij je sterk maken voor het vrije uitloop kantoor? Hierbij wil ik dus mijn verzoeknummer indienen voor de NRC van volgende week.

Met vriendelijke groet,

Martinus Benders