In hoeverre begint de mens zelf steeds meer als een algoritme te functioneren? Die vraag lijkt mij belangrijk als we de moderne poëzie lezen, die vaak van ‘herkenbaarheid’ weet overstromen. Waar komt deze enorme behoefte aan ‘herkenbaarheid’ vandaan? Wanneer we terugdenken aan de androïde Data uit de befaamde Star Trek serie roepen we weer het beeld op van de artificiële intelligentie die een enorme behoefte heeft aan ‘herkenbaarheid’ zodat hij weet hoe hij zich zo menselijk mogelijk moet gedragen. Is dat dus precies wat er eigenlijk loos is?

Zo’n gedichtje als dat van Albertina Soepboer is natuurlijk verschrikkelijk herkenbaar voor eenieder die wel eens het gevoel had er niet bij te horen.

Maar vanwaar de behoefte dit soort overbekende gevoelens vertolkt te zien op papier? Het valt enkel te verklaren als de lezer, u weet wel, die scannende entiteit, bevolkt wordt door iets artificieels dat een grote behoefte kent te leren hoe zich als een mens te kunnen gedragen, en daartoe juist de poëzie als een perfect vehikel ziet.

De via het internet (de groepsgeest) verspreide persoonlijke zeepbel wordt aangestuurd door algoritmes, en dus ook de lezer zelf, een artificiële constructie waarbinnen een grote behoefte is ontstaan naar herkenbare gedichten.

Was vroeger de poëzie de plek bij uitstek waar je onbekende gevoelens en vergezichten kon ervaren, bedoeld voor het avontuurlijker menstype, tegenwoordig is het omgekeerde het geval, men leest gedichten om weer te kunnen leren hoe het ook alweer voelde mens te zijn.

Herkenbaarheid is hier een soort wapensysteem waarmee de scannende robotlezer zijn gewoonte kan verantwoorden naar de A.I. overlords die hem aansturen. Nee, ik zit hier mijn tijd niet te verdoen, meester, ik zit hier te leren een mens te emuleren.

Voor de zeldzaam geworden avonturiers zijn dit soort robotlezers met robotbestsellers in robotboekenwinkels natuurlijk de ultieme nachtmerrie, en de ene na de andere sigarenboer gaat failliet, want geen beweging zonder protestbeweging: de echte mens weigert onder al dit geweld volkomen terecht om nog te lezen.

Zelf heb ik het schrijven van boeken ondanks al dit artificieel geweld nog niet opgegeven. Maar na het verschijnen van elk boek wordt het getorpedeerd door robotrecensenten, die beelden uit bekende Hollywoodfilms oplepelen om de scannende lezer de juiste boodschap in te prenten. Zo kreeg mijn laatste bundel van ene ‘Sander Meij’ het slotbeeld opgeplakt van de film ‘Guardians of the Galaxy’ van een knikkerzak die wordt omgekeerd door een vreemde, buitenaardse hand.

De verborgen boodschap is hier dat dit boek vermeden dient worden, omdat buitenaardse intelligenties er vreemde spelletjes in spelen, die niets te maken hebben met onze missie van het leren emuleren van menselijkheid.

Op facebook reageert René Brandhoff :
Vroeger kon je nog wat met “in de beperking toont zich de meester”. Tegenwoordig is het dan meer “in de beperking tonen zich de meesten”.

Ook de filosofisch-libertijnse Andrea Speijer Beek reageert:
Datgene wat we zogenaamd met z’n allen delen is filosofisch en artistiek het meest oninteressant, maar het is het enige waar de meeste mensen bij kunnen met hun verstand, want herkenbaar.

Het boeiendst is echter de reactie van een entiteit die bekend gaat onder de naam Marc Tiefentahl:

Herkenbaarheid is door een bepaalde school in de poëzie naar voren geschoven: de nep-realisten, die later nep-romantici zijn geworden. Die grondwaterput uit Groningen was daarvan de leider, ene de Coninck de vaandeldrager en een zakje Brems de basis. Herkenbaarheid baart verveling. Zo kort zou ik het houden. Nu, je hebt sander in je stuk niet gespaard. Daardoor kan ik het niet delen, helaas. Overigens had ik ooit een heel korte discussie met een Nederlandse bloemlezer over een gedicht dat ik op zijn vraag geschreven had. Hij vond dat de regels te lang waren en dat de Nederlandse lezer dat niet zou kunnen lezen; of appreciëren of zo. Ik zei hem dat dit niet een gedicht van mij was maar van Oum Kalthoum, zoals hij gevraagd had. De lezer zal ons verder worst wezen want in doorsnee ontbreekt nu eenmaal elke kennis omtrent de lezer in het algemeen. Ik kreeg alvast een felicitatie van een collega-dichter die het gelezen had. Dat het argument herkenbaarheid echter veld wint valt zeker te betreuren. Ik zou het liefst niet willen verklaren maar jouw ironische verklaring vind ik best leuk.

Wat we hier wezenlijk zien is dat de entiteit ‘Marc Tiefentahl’ laat weten dat een filosofische analyse niet mag worden gedeeld, omdat er ‘iets niet wordt gespaard’ – in werkelijkheid ontving hij echter een commando van zijn AI overlord, dat deze kennis niet behoort tot de deelbare entiteiten.

In een eerdere reactie liet hij weten dat de grote boosdoener dom-makende televisie is.