Er lijkt een traditie te zijn ontstaan in de Nederlandstalige poëziewereld die dicteert dat om enig succes te hebben als dichter je je eerst een tijdje dienstbaar moet opstellen naar de gemeenschap als ‘recensent’. Wie recenseert en tegelijkertijd poëtische ambities heeft maakt zich om die reden wel erg nadrukkelijk bekend als wat Olaf Risee ooit een ‘ambitieuze reetkever’ noemde, daar hij zich op de koehandel van de consensus moet beroepen.

Bij zulke acolieten zie je doorgaans dat ze ofwel alles en iedereen van drie of vier sterretjes voorzien, in de hoop dat al die geaccumuleerde karma zich terug zal manifesteren als persoonlijk succes, ofwel het geduld raakt al sneller op en men prijst al bijna onder de ‘positieve recensie’ meteen ook de eigen bundel aan.

De recensie is als fenomeen kwaadaardig, in de zin dat het voorwendt een simulatie van literaire kritiek te zijn, ja zelfs een vervanger. Bij echte literaire kritiek dient het echter te gaan over het plaatsen van een werk in het hele corpus der letteren: waar staat deze dichter, dit werk, wat is het belang in het grote plaatje? Vragen waar recensies zich niet mee bezighouden, daar gaat het om het ‘effect wat een werkje op een lezer had’ en de vraag of die het werk al dan niet moet aanschaffen.

En omdat de kritiek op sluipende wijze werd vervangen met het ‘recensiedom’ is het netto effect duizenden en duizenden aanradertjes, terwijl niemand zich nog bezig weet houden met canonvorming. Dat is iets voor de toekomst, voor de aliens die ooit alles gaan opgraven, na ons de zondvloed maar – en dat is eigenlijk het interessante aspect – voor ons ook.

De waarheid is denk ik dat mensen de ruggengraat niet meer hebben voor canonvormende kritiek. Een criticus neemt immers behoorlijk risico als hij zich op dat vlak begeeft – als hij het mis heeft zal dat voor de eeuwigheid vaststaan. Het is een stuk veiliger om gewoon de smaakmaker uit te hangen, kijk dit en dat vond ik mooi, en wat literatuur is maken ooit de aliens wel uit.

Toch zie je af en toe recensenten die wel een voorzichtige poging wagen. Om te laten zien hoe verknipt dat eruit ziet heb ik het van de week allemaal eens onder elkaar gezet:

Dichters met wie ik vergeleken ben

Marsman, Bloem, Achterberg – De Bezige Bij – 18 jaar.
Tonnus Oosterhoff – Erik Lindner – 32 jaar.
Jorge Luis Borges – Jo Willems – 32 jaar
Lucebert – Hans van Willigenburg – 35 jaar
Multatuli – Joop Leibbrand – 36 jaar
Paul van Ostaijen – Ton van ’t Hof – 47 jaar
Astrid Lampe – Willem Thies – 47 jaar
Gorter – Marc van Oostendorp – 48 jaar
Achterberg – Mark Opfer Ruting – 48 jaar
Georg Trakl – Samuel Vriezen – 48 jaar

Een bizar lijstje, zeker als je bedenkt dat geen enkele van deze dichters tot mijn voorbeelden wist behoren. Maar dat is precies de kakofonie die de canonvorming tegenwoordig werkelijk is, een krankzinnig soort ruis, die tussen alle toxische positiviteit en verkooppraatjes enkel illustreert dat niet alleen na ons de zondvloed heerst, maar ook vooral voor ons.