Curieus, het fenomeen dat alle recensenten tot dusverre precies hetzelfde openingsgedicht van Baah Baaah Krakschaap aanhalen. Ditmaal Jeroen van den Heuvel op de website Ooteoote, de derde op rij, het concept is geloof ik dat men over het eerste gedicht van een bundel schrijft, maar de P van Winterslaap blijft immer buiten zicht. Jeroen schrijft:

De allereerste indruk: WTF! Wat gebeurt hier? Het klinkt goed, maar verder?

Daarna, als we het gedicht een eerlijke kans geven, lijkt er sprake te zijn van een soort scheppingsverhaal.

Een aantal facebookers viel over dit stukje heen – en dan met name de beschrijving ‘dit gedicht een eerlijke kans geven’. WTF, het klinkt goed, maar ik moet het een eerlijke kans geven.

Elders schrijven Huub Beurskens en Martin Reints iets in de trant van ‘een gedicht is onzin, tot het tegendeel is bewezen, in de context van het duiden van een gedicht van Vasalis.

Met andere woorden: je moet een rationele onderbouwing rond een gedicht kunnen weven, kun je dat niet dan deugt het werk niet. Mijn gedicht moet dus een eerlijke kans krijgen. Een kans zich te bewijzen voor een ratio van welke het onduidelijk blijft in hoeverre die zelf ‘deugt’ – heeft deze ratio kennis van de wereldliteratuur? Is deze ratio te vertrouwen als esthetisch kampioen? Of is het een klein, horig boertje in het hoofd van een tweederangs dichter die altijd en immer maar laat weten dat niks vreemds hem smaakt? Het lijkt mij nogal aan de orde dat we weten met wat voor ratio we van doen hebben als we deze absoluut jurylid maken van een hoge kunstvorm.

Dat deel van de vergelijking blijft echter compleet duister, en dus slaat de hele stelling nergens op. Maar goed, Jeroen van den Heuvel, hij kreeg een what-the-fuck gevoel, het klonk allemaal goed, en dus concludeerde hij dat het gedicht een eerlijke kans verdiende.

‘Het licht zwaant door de oelestille’

Dat het een soort van Genesis is klopt natuurlijk. Er zit ook een zekere semi-autistische fascinatie met kabbalistiek in, relaterend aan vormen. Het licht is het Een, de zwaan heeft de vorm van een 2 en verwijst naar de golfstaat van dat licht – de Zwaan als Sinus – en die oelestille, nee ik zie er geen oerstilte in, eerder ULENSTIL (uilenstijl) of ULENSTELEN (uilenstelen) – het licht zzzzzzzz-waant door de uilenstijl of, veel simpeler, de uilenstelen, de bomen.

Een zwaan oproepen in combinatie met licht kan bij een interpretatie moeilijk om de mythologie heen. Je denkt natuurlijk aan de mythe van Leda, die op schilderijen liggend in het bos wordt afgebeeld, met een witte sluier die over de bosbodem is gedwaald, de mist in het gedicht wellicht.

Of, meer stellair, de constellatie Cygnus, welke ook wel bekend staat als ‘het kruis van het noorden’. Oei, gaan we boreaal doen, Benders? Och nee, maar die mikado valt natuurlijk vaak in kruisvorm.

Hier zet ik even een enzovoort. Omdat ik – dat moet u maar even op mijn woord aannemen – een flink aantal pagina’s door zou kunnen gaan met het analyseren van deze zin, maar ik ben Willem Thies niet, en het ging er mij alleen even om te demonstreren dat er geen ‘onzin’ staat, omdat dat nu eenmaal als verderfelijk werd opgevoerd. Maar al deze bagage is overbodig om van het gedicht te kunnen genieten, ik citeer hier Ivo Kievenaar even:

‘Het prettige van deze bundels is onder meer dat de dichter niet de indruk wekt dat je alles moet begrijpen, dat er eigenlijk maar één lezing is. (Bij veel dichters voel ik voorzetjes tot een bepaald begrip in mijn rug.) Ik, herniapatiënt, associeer me suf met Bendersregels en -zinnen, ga daarbij geregeld misschien zijn universum uit en te buiten maar ik krijg nergens de indruk dat hij daar om maalt. Wat niet wil zeggen dat dit laconieke zoek-het-maar-uit-poëzie is, in tegendeel. De meester kan best kwaad worden.’

Dat valt overigens reuze mee, ik ben eigenlijk zelden echt kwaad, maar ik kies er vaak voor om tegen een bepaalde tendens in te redeneren. Omdat ik vind dat u als lezers een eerlijke kans verdient. Iedereen verdient een eerlijke kans! Waarop, dat zoeken we ooit later nog wel eens uit.