Engel met boek

Een engel vliegt voorbij
zittend op een zwarte stoel,
zwijgend en trots.

Vanuit het raam zie ik hoe hij passeert
alsof de muren van rook zijn.

Ik riep hem aan, ontvang toch
mijn woorden, o engel, de hemel
ritselt van een wind
die opstak na een grotere gedachte.

Maar de engel zwijgt, gezeten
op zijn zwarte stoel, een antiek
boek lezende met een kaft
van glinsterend zilver.

Het passeert door het nieuwe appartementencomplex.
Het passeert door de koperen
benzinepompen, abstract, goddelijk.

Neem toch, o engel, deze beker
uit welke ik wijn dronk.
Neem dit zout, neem dit brood.
De nacht drukt zwaar op mijn ribben.

Maar de engel zei niets en passeerde
door het kacheltje in mijn kamer.
Op een zwarte stoel zat hij en hij las
een zilveren boek met schubben.

Toen hij recht voor me zweefde riep ik
O engel uit de hemel
hang me toch op
aan je stoel, aan je arm!

En ik greep een stoelpoot vast
vloog door de lucht en door muren
bungelend als een vlinder in zijn vlucht,
als het zijde van een overwonnen vlag!

En ik ketste tegen de daken,
door het groen en door de takken,
en ik smakte tegen pilaren,
kabels, hoeken en draden.

Ik vocht me vrij en viel
op een verlaten nachtelijk plein,
O hij vloog maar door, dat boek
lezend met een oneindige passie.

Verder en verder dreef hij weg
van de hemel, voortgestuwd door de wind
of misschien een grotere gedachte,
pinnig op zijn zwarte stoel.

Nichita Stănescu

Nichita Stănescu was een Roemeens dichter die zich heeft doodgedronken, hij stierf op zijn vijftigste aan leverfalen. Vooral de schubben in bovenstaand werk doen mij iets, het boek als een soort draak of antieke vis. En dat die engel ongestoord door onze wereld passeert, zich niets aantrekt van de smeekbeden van de dichter, ja, eigenlijk symboliseert de engel elke lezer die weet opgaan in een boek, voor wie deze wereld even niet meer bestaat.

De reptielenkennis van God – het falen van de dichter om de aandacht van de lezer vast te houden, de angst dat die lezer misschien wel door grotere gedachtes wordt weggedreven.
Nietzsche schreef ooit: ‘Wie de lezer kent, doet niets meer voor de lezer!’ – en ook hier is de lezer een ongrijpbaar en abstract begrip.

Als je schrijft doe je dat vaak met een meelezend publiek in het achterhoofd. Misschien is de belangrijkste leerstoel van een schrijver leren ontdekken wie er nu eigenlijk in zijn publiek zitten. Wie luisteren er als je zit schrijven? Zijn dat vrienden? Recensenten? Beroemde dichters? En welke dichters dan, en waarom precies die dichters?

Wie het denkbeeldige publiek in zijn hoofd niet kent is literair volslagen invalide. Immers, je schrijven wordt aangedreven door onbekende luistervinken.

Daarom is de eerste opdracht van elke schrijver deze stoel van de onbekende, heilige lezer vast te grijpen en met hem mee te vliegen. Maar Stănescu faalt jammerlijk, zoals elke schrijver vroeger of later jammerlijk faalt – de lezer is niet te kennen, de luistervinken zijn van rook, en toch moet je zilveren schubben op dat boek weten tellen, voor wie schrijf je, voor de levenden of voor de doden?

Wie deze vragen niet stelt moet nog met het echte schrijven beginnen.