Huub Beurskens, de profeet die Vasalis op haar nummer kwam zetten op internet, debuteerde ergens in de zeventiger jaren met de bundel ‘Blindkap’ die door de altijd stringente Nederlandse literatuurkritiek werd omschreven als ‘moeilijke poëzie’. Ik neem de proef op de som en haal een willekeurig gedicht uit de bundel:

Filmer – voor Ben Verbong

een doek voor het bloeden
de filmer pupil van de slager
ik bedoel de slachtende slager
zijn oog op slacht over mes.

en licht dat wel dat is nodig allicht!
voor de vanger van groot tam en wild.
klein beeld behanger tegen het licht.
zonder dat hij verdonkeremaant
de zon de meester van volg
orde om de chaos.

Ben Verbong is de regisseur van ‘het meisje met het rode haar.’ Beurskens associeert er geniaal op los: rood, bloed, slager. Maar omdat de Nederlandse literatuurkritiek iets snel moeilijk vindt voegt hij er snel aan toe: ik bedoel natuurlijk de slachtende slager. Niet de winkelende slager, niet de slapende slager. Bij zo’n subtiele en vergezochte associatie moet je in het gedicht de lezer wel even uitleggen hoe je daar komt.

Dan gaat Beurskens helemaal los. Na die slachtende slager is er plots sprake van een mes. En nogmaals van slacht, want je weet nooit of de vorige regel beklijfde, en, let even op, hier volgt het moeilijke: slacht OVER mes. Over?

Nee, ik snap die literatuurcritici wel, deze poëzie is intens moeilijk en hermetisch. De zon als de meester van volg! Wat zou Ben Verbong ervan hebben gevonden dat Beurskens hem een ‘beeldbehanger’ noemt? De jonge dichter Beurskens, die in Tegelen chaos zag in de film het meisje met het rode haar. Nu hij op leeftijd is gekomen ziet hij dezelfde chaos in het werk van Vasalis. Chaos! Meester van volg! Allemaal onzin, tot het tegendeel is bewezen!

Interessant in deze context lijkt het me even te kijken hoe het vijftig jaar later is gesteld met de Meester van Volg:

Ik benijd de ware vrienden die waardig rond urn
of kist in samenzang samenhang en bestaanszin
vinden wanneer een van hun het dierbaarste is
ontvallen. Mocht het mij treffen wil ik mijn strot
rauw schreeuwen, van God los en s.v.p. alleen,
waarbij ik alle porselein dat ik in handen krijgen
kan tegen de muren zal keilen in mijn nonsjoel,
onkerk of nikspagode, stijf kutwijf, klotedood!

Het zal de oplettende lezer opvallen dat de Meester ook vijftig jaar na het bedoelen van de slachtende slager nog weinig vertrouwen in de lezer heeft, want mocht het hem treffen dat het dierbaarste is ontvallen dan gaat hij dat s.v.p. alleen doen. En porseleinen kopjes tegen de muur smijten en zijn geliefde een kutwijf noemen. S.v.p.! Even dreigt het lyrisch te worden, als Beurskens in al zijn onmacht de negatie ontdekt. Gooi je een kopje kapot tegen de grond dan noem je dat heel dichterlijk: ‘nonsjoel’, want je bent immers niet aan het sjoelen, ook dat moet de lezer even meekrijgen, en je staat ook niet in de kerk of in een pagode!

Herkenbaar. Maar wel moeilijk en hermetisch. Het tegendeel, de nonsjoel en de onkerk, is daarmee tot aan het einde der tijden bewezen door de meester zelf. Het werk van Vasalis kan de prullenmand in, stijf kutwijf. Weg met de nikspagode van de canon!