Als er iemand is in mijn generatie die de poëzie wist uitverkopen aan de commercie is het wel Heytze. Uitvinder van de stadsmarketing die eerst 1000 lijmende gedichtjes over het geweldige Utrecht schreef en vervolgens met een nieuwe psychische ziekte op de proppen kwam: mijnheer durfde Utrecht niet te verlaten, want het was er zo fantastisch. Ik zag dat alles met argusogen aan vanuit dat verschrikkelijke Helmond. Ik had destijds echt last van pleinvrees, en vond de variant die Heytze poogde inzetten voor nog meer lokale boekverkoop grotesk. Ik schreef dus een gedicht waarin Heytze bij me op schoot zat op een busreisje naar Lourdes en zette dat op mijn website. Vervolgens kreeg ik het met een andere Utrechtenaar aan de stok, Breukers.

Uiteraard had dit alles tot gevolg dat ik nooit meer welkom was op de Nacht van de Poezie. Niet dat ik op enig ander groot festival ooit welkom ben geweest – de geroemde inclusiviteit gaat alleen voor de HAVES op en niet voor de HAVE-NOTS. Als Writers Writer ben ik niet interessant voor het publiek. Heytze koopt wel nog steeds mijn boeken, maar de markt dient voor me te worden afgeschermd. Niet alleen voor mij, ook andere dichters die kritisch zijn en beter dan hijzelf mogen rekenen op nul interesse. Je mag de publiekslievelingetjes inspireren, maar moet niet verwachten dat ze hun heilige plekje afstaan. Straks ontdekt dat publiek nog dat er wel betere dichters bestaan, zoals Koenraad Goudeseune, die een prachtig gedicht schreef over dit bizarre fenomeen:

Nacht van de poëzie

Vanavond is er de Nacht van de Poëzie
die het goed doet op een podium,
in Utrecht, TivoliVredenburg.
Maar gisteren stond ik aan een waterbekken
in het bospark in Lokeren.

Met de rug van mijn hand streelde ik
het wateroppervlak.
Het leek alsof ik met sierlijke letters
iets aan het schrijven was dat,
zodra het geschreven was, weer verdween.

En er kwamen vissen naderbij,
eerst kleine, flitsend, kleurrijk,
maar allengs ook grotere, al wat trager,
die de kleintjes verdreven.

En vanuit de diepte, roerloos haast
en indrukwekkend stil als lijken
die komen bovendrijven,
stegen de grootste vissen op
en verdwenen weer in diezelfde diepte
toen bleek dat ik hen niets te bieden had.

Koenraad Goudeseune (1965)

Waarom is dit eigenlijk zo’n goed gedicht? Omdat het beeld van die glazige vissen zo goed gekozen is. Kleine en grote, dikke glazige vissen, die in hun eigen wereldje leven en even naar de oppervlakte komen om te zien of je hen iets te bieden hebt. De dichter ervaart hun wereld als compleet gescheiden van de zijne, een soort alternatief universum dat voor hem niet is weggelegd.

Je kunt niet iets over een Utrechtenaar schrijven zonder een boze Utrechtenaar aan de lijn te krijgen. Wat dat betreft lijken ze niet zo op de vissen uit Koenraads gedicht. Ik zou uit rancune schrijven, terwijl ik toch echt alleen wou aangeven dat je het Festival van de Muziek beter niet door Frans Bauer kunt laten organiseren, omdat je dan luitjes krijgt die een duimpje opsteken bij zijn muziek. Ik kreeg te horen dat Utrechtenaar Esther Jansma ‘dit jaar Ingmar Heytze keihard en onterecht had aangevallen, en desondanks werd uitgenodigd voor de Nacht van de Poezie’. Dat is natuurlijk prettig om te horen, dat iemand die via de media kritiek uit alsnog een uitnodiging verdiend had. Had ze dat zonder die kritiek dan ook gekregen? Enfin, dat gedicht, waarin Heytze bij me op schoot zat in de bus naar Lourdes is reeds lang vergaan, de humorloze scheldkanonnade waarmee hij pareerde is vast nog wel ergens online te vinden. Dat ik zelf ook in de bus zat kwam nooit te berde, het probleem was waarschijnlijk de lichamelijke verhouding. Als reactie op Heytzes scheldgedicht schreef ik destijds ook een scheldgedicht over mezelf. Hoe dan ook, Koenraad schreef een mooi gedicht, en dat wij in een ander, minder glazig universum verkeren heeft iets te maken met – ons gebrek aan betrokkenheid!

Een fijner onderwerp. Het valt me steeds vaker op dat tijdlijnen erg van elkaar verschillen, en dan met name de tijdlijn van de droomwereld versus de wakkere. Je kunt in een luttele minuut droomtijd een heel boek bij elkaar dromen. De tijd verloopt in een heel ander tempo in de droomwereld. Omdat mijn droomlichaam vaak ook aan het dichten slaat is het niet ondenkbaar dat ik in een enkele nacht een hele nieuwe bundel zou schrijven, waarvan slechts flarden de wakkere wereld weten bereiken. Je zou dus als je die transitie onder controle weet brengen elke nacht een bundel kunnen schrijven – niet dat daar iemand op zit wachten.

Vaak krijg ik commentaar over waar ik toch mijn energie vandaan haal. Het antwoord is denk ik dat ik in een andere tijdslaag zit. Ja, de tijd heeft lagen, dat merk je bijvoorbeeld als je op vakantie gaat, plots duurt een week geen week meer maar wel vier normale weken. Of denk aan de kindertijd, toen een jaar bijna oneindig lang duurde. Dat fenomeen is niet passief, het is mogelijk zelf te controleren in welke tijdsversnelling je zit. Wat de tijd doet versnellen is de sleur, de gewoonte – wie aanleert zijn eigen gewoontes te saboteren komt mettertijd vanzelf weer in een andere tijdsversnelling terecht. Ik heb dus niet meer energie dan een ander, ik kan simpelweg mijn tijd veel effectiever gebruiken. Hoewel in andere zin tijd en energie eigenlijk hetzelfde fenomeen zijn, misschien.

In die zin is het eeuwige leven voor iedereen bereikbaar: laat de tijd vertragen, tot een jaar weer bijna oneindig duurt. Een obsessie met je gezondheid is dan niet nodig, en of iemand 40 of 80 jaar op deze planeet rondliep zegt helemaal niets, want je weet niet in welke versnelling hij of zij leefde. Tachtig jaren kunnen door sleur in een oogwenk voorbij gaan, een jaar kan bijna een eeuw lijken, er is geen peil op te trekken. Wie twijfelt of ik hier gelijk heb moet maar eens wat psychedelica proberen, je zult je verbazen over hoe flexibel de tijd blijkt.