Tjechovs verhaal ‘De Vlinders’ is amusant – hij schetst het wereldje van ‘kunstenaarsberoemdheden’ welke vooral bestaat uit ‘beloftevolle talenten’ die elkaars grootheid bewieroken, in de toekomst zullen ze allemaal grote kunstenaars worden, de een is nog beroemder en beloftevoller dan de ander, en waar het uiteindelijk op neerkomt is toch een soort dagbesteding voor de rijkere met geen oog voor het ‘waarlijk grote’, zelfs al zijn ze ermee getrouwd.

Het verhaal is ook merkwaardig actueel, want na het afschaffen van de studiebeurs moet iemand zich diep in de schulden willen steken om vervolgens als ‘kunstenaar’ op een markt te belanden die hem vijandig gezind is. Gevolg is natuurlijk dat alleen de rijkeluiszoontjes nog kunst kunnen gaan studeren, dus we zijn weer beland in het Rusland van Tjechov van de negentiende eeuw.

Dat de klassenmaatschappij weer terug is zie je in de literatuur ook – men schept geldmachines, de scholen, maakt alles van die scholen afhankelijk, en omdat alleen de rijkeluiszoontjes het zich kunnen permitteren de studie te gaan doen krijg je een steeds hoger gehalte rijkeluiszoontjes die de dichter mogen spelen – wie mij niet gelooft, kijk maar eens naar het adres waar die ‘Grote Poezieprijs’ geregistreerd staat – juist, die Amsterdamse Poëzieschool. Leuk hoor! Ze leveren ook een deel van de jury, en zo is het cirkeltje mooi rond. (Inderdaad, wat een vakmensen, alleen klopt het vak niet).

In mijn familie snappen ze niets van kunstzinnige ambities, omdat dat nu eenmaal als een rijkeluiszoonambitie wordt bezien in die sociale klasse. Onterecht is dat niet helemaal, want tegenwoordig is het dat praktisch bezien eigenlijk dus alweer geworden. Dat dit alles zo gebeurd is onder auspicium van de ‘onderwijspartij’ maakt het allemaal des te erger – misschien moet ik eens een omgekeerde Tjechov schrijven, over een familie van betageleerden die geen oog hebben voor het ware talent onder hen, een kunstenaar.

Wat het nog erger maakt – de Nederlandse cultuur, zelfs al heb je het talent van van Gogh dan nog zul je levenslang op een houtje dienen bijten, want – daar heb je de vlinder weer – je hebt te maken met tonnen en tonnen beroemdheden die allemaal elkaar bewieroken, en jij als buitenstaander hebt het te druk met kunst om het sociale spelletje mee te spelen, dat je sowieso afgrijzen inboezemt. Je kunt je oor afsnijden om de aandacht van de vlinders te trekken, maar veel meer kun je niet doen.

Toen de studiebeurs nog bestond was 98% van de kunstacademiestudenten binnen tien jaar na afstuderen niet meer met kunst bezig. Ik vrees eerlijk gezegd dat dat percentage nu flink zal gaan dalen. Bedankt hoor, onderwijspartij!

Natuurlijk is de maatschappij niet verplicht de kans dat grote kunst zal worden gemaakt te vergroten. Noch is ze verplicht de kans dat grote wetenschappelijke ontdekkingen worden gedaan te stimuleren – en natuurlijk, er zullen altijd mensen blijven bestaan die ‘against all odds’ het weten redden – die niet hun kennis als chemicus in dienst stellen van Pepsi Cola om hun producten nog verslavender te krijgen, maar het belang van de wetenschap en de mensheid voor ogen hebben. Wil de overheid daar een rol in spelen dan zul je zowel kunst als wetenschap uit de klauwen van de markt dienen bevrijden. Bezien dat het voortbestaan van de mensheid er heel wel vanaf kan hangen lijkt me dat het beste uitgangspunt.

De methodiek daartoe lijkt me vrij eenvoudig: een basisinkomen voor kunstenaars en wetenschappers. Dat lijkt op het eerste gezicht oneerlijk, waarom niet voor iedereen – maar bedenk je dat zo’n inkomen geen vetpot zal zijn en dat deze mensen zich voor het algemene belang inzetten. Vervolgens dient aan de poort van die regeling streng te worden gecontroleerd, en niet door Tjechovs Vlinders.