Fri, 13th February, 2009 - Posted by
Je hebt mensen die het schrijven van recensies verwarren met het beoefenen van ‘literaire kritiek’. Dat kenmerkt eigenlijk min of meer het niveau van de persoon die die mening is toegedaan, omdat beide slechts rakelings met elkaar te maken hebben. Het gros der recensies heeft weinig tot niets met ‘literaire kritiek’ te maken - het zijn op zijn best literaire stukjes en op zijn smalst advertenties om een boek of het ego van de recensent mee op te vijzelen.
Nee, literaire kritiek is een veel zeldzamer fenomeen in Nederland. Iemand als Beurskens, dat zou je een literair criticus kunnen noemen. De taak van het recenseren is voor zo’n criticus juist niet weggelegd, uitzonderingen daargelaten, omdat zijn taak juist het duiden van grotere bewegingen en het kritisch in kaart brengen van literaire ontwikkelingen is. Het gebeurt zelden dat het bespreken van een individuele bundel daarvoor van belang is.
Literaire kritiek zou bijvoorbeeld zijn eens te duiden waarom Tonnus Oosterhoff 25 keer in de ‘Woordlijst’ gemaakt door ‘beroepslezers’ voorkomt, terwijl Polet, wiens bundel vrij vergelijkbaar is met die van Oosterhoff in kwalitatieve zin geen enkele keer in deze Woordlijst voorkwam. Wat is precies de oorzaak van dat fenomeen, waarom beweegt de consensus zich op zo’n manier? Een ander voorbeeld van ‘literaire kritiek’ zou zijn een fenomeen als Gerbrandy precies te duiden. Jaar in jaar uit steekt Gerbrandy pluimen in het achterwerk van bevriende recensenten via deze ‘Woordlijst’ - valt zo’n man dan nog op een poetica te betrappen? Dat is een vraag die de literaire kritiek aangaat.
Ene Hans Mirck heeft het over ‘de belabberde toestand van de Nederlandse literaire kritiek’. Hoe kan iets dat zo goed als afwezig is in een belabberde toestand verkeren? Ik moet het eerste kritische geluid over bijvoorbeeld het feit dat Bruinja als lid van de Raad van Cultuur zijn positie misbruikte om de organisaties die van zijn oordeel afhankelijk zijn allemaal op hem te laten stemmen nog tegenkomen. Is dat niet wat eigenaardig? Om maar te zwijgen over het onsmakelijke gedrag van zijn campagneteam. Waar is de kritiek, mijne Heren?
Een en ander naar aanleiding van een stukje van Edwin Fagel waar weinig op aan te merken valt. Maar schijnbaar zijn het vooral zulke stukjes die het gramschap der grote internetcritici verdienen: het is een mallemolen van halfzachte eitjes die nooit ook maar eens een scherpe of interessante gedachte in zich voelen opkomen. Mensen die menen ‘literaire kritiek’ te bedrijven door af en toe op een vrij gezapige wijze over een dichtbundel te keuvelen. Mensen die ‘heel streng’ bundels afbranden op criteria die alleen in hun eigen waandenkbeelden bestaan. Mensen die een goed argument nog niet zouden herkennen als ze er levend door werden opgevreten. Mensen die denken dat ‘dit is slecht geschreven’ een relevant statement is.
Ik ben toch blij dat ik me uit dat recensie-circuitje heb teruggetrokken. Er zijn gelukkig nog enkele mensen die wel op een enigszins draaglijke en intelligente wijze dichtbundels recenseren. Edwin Fagel is er daar eentje van.
Een ander fenomeen waar ik mij regelmatig zeer over verbaas: het type argumenten wat te berde komt wanneer men een bepaald criticus bespreekt. Ik hoor bijvoorbeeld met enige regelmaat de mening dat Michael Zeeman ‘een enorme blaaskaak’ is of woorden van soortgelijke strekking. Je kunt het zo gek niet verzinnen of je ziet het voorbij komen drijven: Zeeman heeft boeken gestolen, Zeeman kan geen stijve krijgen - het is werkelijk bijna te potsierlijk en onfatsoenlijk om zelfs maar te bespreken. Schijnbaar weet men geen inhoudelijk argument tegen Zeeman te verzinnen - het maaiveld van de middelmatigheid functioneert middels het ergste soort riooljournalistiek. En dat terwijl Zeeman juist een van de weinigen is die ik ooit op overtuigende wijze kritiek in elkaar zag steken. Mijn conclusie hieruit is vooral dat de ziekelijke politieke sfeer van de laatste tien jaar naar de litereratuur is overgeslagen. De literatuur is, net als de politiek, een persiflage op zichzelf geworden.
Het probleem van Zeeman is dat hij enorm hoog van de toren blaast met zijn eruditie, maar teveel steken laat vallen om daarin serieus genomen te kunnen worden. Mijn stapelvoorbeeld blijft die recensie waar hij over Watt, van Beckett, concludeert dat het een “typisch eerste boek” is maar wel “het eerste boek van een genie.” De waarde van zo’n vaststelling kan makkelijk worden gecheckt door even de bibliografie van Beckett op, bijvoorbeeld, Wikipedia door te nemen.
Als zo iemand dan vervolgens gaat lopen fulmineren over het abominabele ontwikkelingsniveau van anderen is dat niet serieus te nemen. Uiteraard schrijft hij ook wel eens zinvolle dingen op, maar zijn gebrek aan scherpte en de manier waarop hij zijn veronderstelde eruditie als wapen hanteert maken hem moeilijk serieus te nemen. Een woord als “blaaskaak” is dan misschien niet zo aardig, maar helemaal onbegrijpelijk is het niet. Het vermoeden bestaat in elk geval dat Zeeman beter zou presteren als hij zich gewoon zou beperken tot wat hij wel weet en waar hij wel goed in is (hij kan soms mooi schrijven over auteurs waar hij echt van houdt) in plaats van de intellectueel uit te hangen.
Okee, Zeeman laat wel eens een steek vallen - dat Watt voorbeeld is een pijnlijk voorbeeld inderdaad - maar dat staat in geen verhouding tot de onzin die je hier en daar over hem moet gaan verwerken. Dat gezanik van Max Pam, de meest bedenkelijke recensent van Nederland - dat is toch een veel beter doelwit voor kritiek dan Zeeman?
Zeeman vind ik juist een van de goeierikken. Ik weet niet of je ooit die VPRO uitzending over de Gouden Doerian gezien hebt, maar Pfeijffer was bepaald geen partij voor Zeeman.
Eigenlijk kan ik me ook weinig stukken van Zeeman heugen die me echt konden boeien. Ook de auteurs waar hij wel van houdt zijn vaak - vanuit mijn gezichtspunt - nogal veilige keuzes, die al lang en breed internationaal heilig zijn verklaard.
Max Pam - daar noem je nog eens iemand. Ik heb inderdaad weinig met die man - misschien minder dan Zeeman. Zeeman komt in de eerste plaats op voor de literatuur die door alles en iedereen al lang groot gevonden wordt (hij hoopt misschien dat hij daar ook een beetje groot van wordt) en uiteindelijk is dat weinig schadelijk en misschien moet je gewoon ook zo iemand hebben rondlopen. Maar Pam! Zo iemand die dan een zin van Polet of Hüsgen citeert en dan zegt “Nou, dat vind ik dus veel te lang” en dan is het kritiekje weer gedaan. Zo’n terrorist van de “leesbare” middelmaat, die zijn eigen gebrek aan fantasie als maatstaf aan de hele wereld wil opleggen. Een beter doelwit? Ik zou het liever helemaal niet over hem hebben.
Ik ken Zeeman alleen van de Tv, ik lees nooit kranten. Ik vond ‘Zeeman met boeken’ best een aardig programma, maar dat was vooral ook omdat ik Maarten van Rossum altijd graag bezig zie. Een van de mooste televisiefragmenten uit mijn geheugen is van Rossum op het 8 uur journaal als Amerika-expert de dag na de aanslagen van 9-11. Presentator: ‘Betekent dit nou dat derde wereldoorlog is uitgebroken’ Van Rossum: ‘Derde Wereldoorlog? Ben je nou helemaal belazerd, wat een onzin!’
Zo’n man moeten ze vaker op het journaal vragen.
En wat Zeeman betreft, ach, het een een soort Van Dis, maar dan iets internationaler en toch ook weer niet. Het mag zo zijn dat hij altijd grote namen besprak, het feit dat er verder helemaal niks op die buis besproken werd maakte het al plezierig. En als je hem vergelijkt met de andere boekenpersoonlijkheden, denk aan Martin Ros, nou geef mij maar Zeeman, anytime.