Oh come out you black & tans

Ik lees ‘Zee der Jeugd’ van Platonov. Wat een verschil met de ‘eigentijdse Nederlandse roman’ die ik laatst aanschafte. Daar zat ik na vier hoofdstukken nog immer met een frons op het gezicht, die steeds dieper werd. Maar Platonov – ach, wat een verademing, elke pagina een mengelmoes van zuivere admiratie en schateringen.

Het verhaal begint met een man die de woningnood in Rusland wil oplossen door enorme pompoenen te kweken. Maar bij een klein schrijver is dat het verhaal, bij een groot schrijver een klein detail.

In Trouw gaat een stuk van Erik Jan Harmens over mij verschijnen, ergens na de sinterklaas, een podcast en ook een interview. Het gaat allemaal over sober leven, maar gelukkig heb ik hem in kunnen peperen dat nuchterheid niet bestaat, dat iedereen constant high is van de kaas, en voorts weigerde ik uit de ouwe meuk van krakschaap voor te lezen en koos ik voor de welluidende gedichten van Brendan Kennely.

Ondertussen doen ze in de Tweede Kamer hun stinkende best om de subsidie die ze van de samenleving krijgen op te brassen aan oftewel gelieg ende gedraai, oftewel grandioze discussie over bemanning of bemensing bij de politie. Nu spreek je zover ik weet van ‘bezetting’ in geval van de politie, dus is deze discussie exemplarisch voor de taalverloedering van de maatschappij.

Een van de eerste dingen die ik te berde bracht toen we het over ‘De Honingzaag’ hadden is dat het tijdschrift absoluut geen recensies moet bevatten. De markt spoelt over van de tijdschriften vol recensies, alsof dat het primaire doel van het literaire tijdschrift is, de industrie dienen. Wel zijn stukken welkom die kritisch kijken naar de rol van de kritiek zelf, zoals dit keer bijvoorbeeld Marc van Oostendorp een stuk schrijft over de recensiekwaliteiten van oldtimer Rob Schouten.

Ondertussen werk ik aan de bundel ‘Ginneninne’ die zich deels laat inspireren op het Keltische en ‘De Verzonnelde’, een verzamelbundel van al mijn werk tot dusverre.


Come out you black and tans,
Come out and fight me like a man,
Show your wife how you won medals down in Flanders;
Tell her how the IRA made you run like hell away,
From the green and lovely lanes of Killeshandra.

Come tell us how you slew Them ol’ Arabs two by two,
Like the Zulus they had knives and bows and arrows;
Of how bravely you faced one with your sixteen-pounder gun,
And you frightened all the natives to the marrow.

nY Optimism & Transformation as a Service.

Een greep uit de diverse discussies over taal die ik deze week voerde. Allereerst: gebruik van het woord ‘nuchter’ in de recensie van Piet Gerbrandy over mijn laatste bundel die in de laatste Poëziekrant staat:

‘Benders gaat ver in deze bundel. De lezer moet bereid zijn zich aan de compositie over te geven, want nuchtere analyse levert niet veel op. Ik ga er graag in mee, maar na enige tijd begin ik toch te verlangen naar de absurde en cynische grappen uit Benders’ eerdere bundels. Wie weet waar deze grillige dichter de volgende keer weer mee komt.

Toevallig had ik eergisteren Erik Jan Harmens over de vloer, een podcast over nuchterheid die in de Trouw zal verschijnen. In de podcast beweer ik dat ‘nuchterheid’ als fenomeen niet bestaat. Gerbrandy had beter ‘sobere analyse’ kunnen gebruiken, want zoals het er nu staat impliceert het eigenlijk vooral dat hij normalerwijze stomdronken teksten leest. Dat is toch wonderlijk, hoe één woord een wereld van verschil kan maken.

In de academische wereld woedt al geruime tijd een discussie over de verengelsing van het Nederlands. Op Neerlandistiek.nl een bijdrage van Yves T’Sjoen maar ik struikel in het stuk bijna meteen over het woord ‘concipiëren’.

Een uit het procesrecht afkomstige term die tegelijk ook ‘zwanger worden’ betekent in deze context beter achten dan het woord ‘scheppen’ of ‘ontwerpen’ – moet je dat als taalbeheersing serieus nemen? Is dat soort managersjargon wezenlijk beter dan die verengelsing? Je klinkt in mijn oren in beide gevallen als, excusez le mot, een droplul.   En is een gevoeligheid voor hoe-je-overkomt niet wezenlijk de functie van alle taal – daar begint het grote spel pas.

Els Moors heeft het over een nieuwe site, en een geweldige tekst van Hans, met een link naar dit tijdschrift erbij.

Als ontwerper vraag je je dan ogenblikkelijk af of dat font zo enorm is omdat de doelgroep van de website uit zeventigplussers bestaat? Het alternatief is zorgelijker – lezen jongeren al zo moeizaam?

Om over het stuk zelf maar niet te spreken. Wat een wazig geformuleerd wangedrocht. En wat wil Hans nu zeggen, dat alleen ‘linkse’ mensen mogen schrijven of kunst maken? Dat we tot geweld moeten overgaan? Tegen de micro-fascisten? De hand aan onszelf slaan dus? Elders op het internet blijkt dat Hans Demeyer zichzelf verkoopt als Optimism & Transformation as a Service. Zou hij ooit een klant hebben weten scoren? Ik vrees van wel. Dit tijdschrift, bijvoorbeeld.

Het blad nY, dat een transgressieve rol speelde middels Dirk van Bastelaere in de afschaffing van kunstsubsidies, door ze eerst te annexeren en vervolgens op stomvervelende wijze alles zo op de spits te drijven dat geen mens het nog zou willen handhaven? Bedankt, jongens.

Gelukkig maar dat ze meer verstand hebben van ongelofelijk modieuze experimentele poëzie met heel veel woorden en een ongelofelijk gehalte aan betrokkenheid en verzint u zelf nog wat superlatieven en lees mee!

Literatuur, Kritiek & Amusement, indeed.

De nuchterheid in de literatuur neemt uiterst betrokken proporties aan

Kunst maken is egoïstisch – de filosofie van Charles Esche

Hebben jullie dat nooit, dat iets je helemaal het verkeerde keelgat inschiet? Dat had ik toen ik dit filmpje bekeek en ik Charles Esche, directeur van het Van Abbe, zag zeggen (09.43) dat de meeste kunstenaars alleen kunst maken om hun egootje te promoten en dat er een ander soort kunst is, de kunst van ‘de transactie’ (hij bedoelt netwerkkunst) die als een soort remedie tegen al die egoïstische kunstenaartjes kan worden opgevoerd. Het wordt helemaal leuk als deze overbetaalde pluche-marxist aangeeft dat ‘hij net zo goed in een fabriek zou kunnen werken’. Natuurlijk, Charles. Alles draait om de transactie (lees: geld) en dat er mensen zijn die de moeite nemen met veel moeite nog echte kunst te maken – dat moeten wel enorme egoïsten zijn!

Hoe kunnen we deze ‘transactie-intellectuelen’ het best noemen? Cultuurmarxist dekt de lading niet echt. Ik weet niet wat de lading dan wel zou dekken. Misschien wil ik dat gewoon niet weten.

Via Marc van der Holst: “Het aantal kunstenaars zal moeten krimpen–en daarvoor moeten we de kunstenaars compenseren.” (Jesse Klaver, 18 oktober 2019)

Emily Temple schreef dit artikel op Lithub, over hoeveel boeken je nog kunt lezen tot je zult sterven.

Er bestaan dus reeds 150 miljoen geschreven boeken. Daarvan kun je als je een ‘superlezer’ bent er 3000 lezen, en een ‘normaal’ lezer blijft in de 1000 hangen.

Is het onder zulke condities nog mogelijk om op een betrouwbare manier de smaakmaker uit te hangen? Uiteraard niet. Wie nu nog enkel de smaakmaker uithangt en pretendeert te weten wat ‘modieus’ is kan nooit een oprecht persoon zijn.

Toch blijft dat ‘modieuze’ de witte motor van ons nationale literatuurspel. En dat heeft uiteindelijk maar één leitmotif: de transactie, inderdaad.

Een ander Nederlands woord voor dat hippe ‘transactie’ is ‘zakkenvuller’.

Het geheim van de Nobel

1976

‘Waarde Heren van het Comité, ik heb het meesterplan verzonnen’

‘Vertel, Wouter!’

‘Er mogen elk jaar vijf organisaties een kandidaat nomineren, in totaal wel 10 mensen. Heren, kijk eens achter me op het bord!

‘Een X?’

‘Ja, een X. Dat is onze schrijver. Maar wat gebeurt er als we allemaal achter deze schrijver gaan staan? Dan is het plots X tot de macht tien!’

‘Net zoals de Amerikanen altijd doen?’

‘Precies! Die weten hoe de vork in de steel zit! We gaan dus massaal dezelfde schrijver nomineren. De kans op de Nobelprijs is dan het grootst.’

‘Maar welke schrijver nomineren we dan?’

‘Mulisch!’

‘Waarom niet Reve of Hermans? Die zijn toch minstens even goed?’

‘Het gaat om eensgezindheid, niet om goed. Dat goede is maar een mening, dat snappen die Zweden ook wel.’

1977

‘Wouter, de meesterstrategie werkte niet. Mulisch zat in de achterste regionen.’

‘Ja, nog wel. Kijk eens op het bord achter me. Wat zie je daar?’

‘Die X tot de macht tien.’

‘En wat gebeurt er als je die X tot de macht tien tien keer gaat inzenden?’

‘Nou?’

‘X tot de macht tien tot de macht tien!’

‘Potdomme, die prijs kan ons dus niet ontgaan. Maar wat doen we dan met Reve of Hermans? Die komen dan niet aan de beurt.’

‘Tja, schrijvertjes. Het gaat hier toch om iets heel anders. Dit gaat om het landsbelang!’

2010

‘Wouter, Harry Mulisch is overleden!’

‘Verdomme. Net nu de prijs wiskundig bezien op vallen stond. Geeft niet. De schrijvers komen en gaan, de wiskunde blijft. Wie verkoopt er nog meer goed in Duitsland?’

De Nobelprijs voor literatuur


Nu ik de vijftig nader vraag ik me wel eens af hoe het eigenlijk komt dat gedurende mijn hele leven er maar twee Nederlandse nobelprijsnominees waren: Mulisch en Nooteboom. Nog nooit werd er een vrouw voorgedragen, nog nooit een dichter. Wie is daar eigenlijk op aan te spreken? Waarom doet men alsof het vanzelfsprekend is dat iemand tot aan zijn dood wordt genomineerd?

Het Nobelcomité vraagt elk jaar een aantal organisaties een voordracht te doen. Een van die organisaties is het MNL. Nu ken ik iemand die daar in het bestuur zit, Marc van Oostendorp, dus ik vroeg hem hoe het precies zit met die jaarlijkse nominatie. Hij schreef:

Ik zit in het bestuur van een van de clubs die vanuit Nederland mag nomineren (de Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde). Die clubs hebben ooit besloten ieder jaar allemaal dezelfde kandidaat voor te stellen en de laatste jaren is dat dus Nooteboom. Wie dat precies bepaalt is mij niet duidelijk, ik zie die nominaties alleen als hamerstuk voorbijkomen bij bestuursvergaderingen.

Elk jaar Nooteboom, elk jaar weer eindigt hij in de achterste regionen. Maar volgend jaar heeft hij vast meer kans!

Dat het Nooteboom moet zijn is ‘ooit’ beslist, onduidelijk is nog steeds door wie. Dat het tot aan zijn dood moet zijn is ook ooit beslist, ieder jaar een ander nomineren, of een discussie over wie men zou moeten nomineren, nee dat is allemaal onwenselijk.

Uit de discussie die volgde bleek duidelijk wat het probleem eigenlijk is. Die Zweden zijn maar een corrupte bende, waarom zouden wij tijd verknoeien aan die flauwekul, we doen gewoon Nooteboom, klaar. Men neemt de prijs dus totaal niet serieus. Vandaar Nooteboom.

Die verkoopt namelijk goed in Duitsland. Verkoopcijfers zijn het argument weer, en dat hij jaar in jaar uit geen kans maakt is niet zo belangrijk: dankzij de jaarlijkse nominatie blijft hij ook gewoon goed verkopen in het buitenland.

Dat je dat ook wel eens aan een andere schrijver of uitgever zou kunnen gunnen is waarschijnlijk een te sociaal model dat enige empathie vergt. Dat je de moeite zou nemen jaarlijks een discussie over kwaliteit te houden – kwaliteit? Verkoopt het in Duitsland?

Dat je, ook als je de prijs met geen mogelijkheid serieus kunt nemen, toch enige sociale insteek kunt hanteren – het komt niet bij deze mensen op. Geen discussie over kwaliteit, geen discussie over verkoopcijfers. Het is ooit besloten, en dat je niet verplicht bent om aan dat circus mee te werken komt ook al niet ter sprake. Gewoon! Nooteboom.

Het Vijfde Evangelie volgens Mickey

Toen ik in 2008 debuteerde bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam hoorde daar natuurlijk een bezoek aan mijn redacteur bij. Ik kocht een ticket, want woonde in Istanboel, ging bij de uitgeverij langs en kreeg meteen twee zaken voor de kiezen: eerst een tirade tegen abstracte kunst van het niveau ‘kan mijn neefje ook’, en ten tweede zei Henderson ‘politieke gedichten, niet doen. Kan niemand iets mee.’. Ik hoorde het enigszins verbijsterd aan. Het mag niemand verbazen dat nu, tien jaar later, nu het plots hip is om politieke gedichten te schrijven deze redacteur hele andere adviezen verstrekt. Maar weet u wat ik denk van mensen die politiek beginnen schrijven omdat het in de mode is? Ik denk dat die mensen helemaal niet oprecht zijn.

Dat probleem heb ik bij de gedichten van Clinton V. du Plessis niet, want die schrijft al zijn hele leven politiek geladen gedichten, oprechte en vaak schrijnende poëzie die me soms diep weet ontroeren. En in dit tijdperk waar iedereen de mond vol heeft over diversiteit is het tussen al die obsessie met de groepsidentiteit bijzonder nuttig gedichten te lezen van iemand die de apartheid aan den lijve heeft meegemaakt. Clinton, zoon van een spoorwegarbeider, verhaalt in veel gedichten over het Zuid Afrika van de jaren zeventig en tachtig, armoede, apartheid, chaos, maar in al die ellende lukt het hem diep menselijke gedichten te schrijven die tot de kern van je wezen gaan.

Ik ben geen traditioneel vertaler, omdat ik vind dat de boekdrukkunst niet voor niets is uitgevonden, en mij gaat het slechts om het resultaat, een zo goed mogelijk gedicht. Daarom koos ik ervoor in deze bundel ook het origineel af te drukken, zodat de lezer ook de klanken van het Afrikaans kan genieten en kan zien waar mijn vertaling van het origineel afwijkt. Uiteraard poog ik meestal wel dicht bij het origineel te blijven – anders zou ik een frustraat zijn – maar heel soms geef ik een gedicht een ietwat andere wending, een vrijheid die weinig vertalers zich permitteren. Toch meen ik op deze wijze goed het wezen van Clintons gedichten te hebben gevangen, en hoop ik dat u als lezer dezelfde indruk zal hebben.

Nu we in een tijdperk leven waarin het ‘etnische conflict’ schijnbaar onze dromen en idealen moet gaan vervangen vind ik het van het grootste belang een stem te horen die de gevolgen van dit soort onzin tot op het bot moest doorvoelen. Toen ik remigreerde naar Nederland was het eerste dat mij opviel dat mensen in mijn geboortedorp Mierlo met sinterklaas plots en masse Nederlandse vlaggen begonnen uithangen. Ik wist niet wat ik zag, wat heeft sinterklaas met nationalisme te maken? Maar dit is dus het wezen van de ‘identiteitspolitiek’ – het is geen kinderfeestje meer maar een deel van de eigen identiteit.

Kom los van je identiteit, en lees de gedichten van Clinton du Plessis, die met een diep menselijke stem beelden schetst die tot de kern weten raken, humanistisch-filosofische gedichten die pogen het grotere plaatje te schetsen dat ons allen aangaat. Het leven is te kort om het te verdoen met kleine obsessies. Maar het leven is gelukkig ook lang genoeg om kennis te nemen van deze prachtige poëzie. Met gepaste trots presenteer ik u deze bundel vertalingen, van een van de belangrijkste Zuid-Afrikaanse dichters, al heeft hij dan zijn hele leven in de marge moeten publiceren.

Martijn Benders

(Voorwoord bij de bundel ‘Het Vijfde Evangelie volgens Mickey’, verschijnt 15 december bij de Kaneelfabriek)

De Vlinders

Tjechovs verhaal ‘De Vlinders’ is amusant – hij schetst het wereldje van ‘kunstenaarsberoemdheden’ welke vooral bestaat uit ‘beloftevolle talenten’ die elkaars grootheid bewieroken, in de toekomst zullen ze allemaal grote kunstenaars worden, de een is nog beroemder en beloftevoller dan de ander, en waar het uiteindelijk op neerkomt is toch een soort dagbesteding voor de rijkere met geen oog voor het ‘waarlijk grote’, zelfs al zijn ze ermee getrouwd.

Het verhaal is ook merkwaardig actueel, want na het afschaffen van de studiebeurs moet iemand zich diep in de schulden willen steken om vervolgens als ‘kunstenaar’ op een markt te belanden die hem vijandig gezind is. Gevolg is natuurlijk dat alleen de rijkeluiszoontjes nog kunst kunnen gaan studeren, dus we zijn weer beland in het Rusland van Tjechov van de negentiende eeuw.

Dat de klassenmaatschappij weer terug is zie je in de literatuur ook – men schept geldmachines, de scholen, maakt alles van die scholen afhankelijk, en omdat alleen de rijkeluiszoontjes het zich kunnen permitteren de studie te gaan doen krijg je een steeds hoger gehalte rijkeluiszoontjes die de dichter mogen spelen – wie mij niet gelooft, kijk maar eens naar het adres waar die ‘Grote Poezieprijs’ geregistreerd staat – juist, die Amsterdamse Poëzieschool. Leuk hoor! Ze leveren ook een deel van de jury, en zo is het cirkeltje mooi rond. (Inderdaad, wat een vakmensen, alleen klopt het vak niet).

In mijn familie snappen ze niets van kunstzinnige ambities, omdat dat nu eenmaal als een rijkeluiszoonambitie wordt bezien in die sociale klasse. Onterecht is dat niet helemaal, want tegenwoordig is het dat praktisch bezien eigenlijk dus alweer geworden. Dat dit alles zo gebeurd is onder auspicium van de ‘onderwijspartij’ maakt het allemaal des te erger – misschien moet ik eens een omgekeerde Tjechov schrijven, over een familie van betageleerden die geen oog hebben voor het ware talent onder hen, een kunstenaar.

Wat het nog erger maakt – de Nederlandse cultuur, zelfs al heb je het talent van van Gogh dan nog zul je levenslang op een houtje dienen bijten, want – daar heb je de vlinder weer – je hebt te maken met tonnen en tonnen beroemdheden die allemaal elkaar bewieroken, en jij als buitenstaander hebt het te druk met kunst om het sociale spelletje mee te spelen, dat je sowieso afgrijzen inboezemt. Je kunt je oor afsnijden om de aandacht van de vlinders te trekken, maar veel meer kun je niet doen.

Toen de studiebeurs nog bestond was 98% van de kunstacademiestudenten binnen tien jaar na afstuderen niet meer met kunst bezig. Ik vrees eerlijk gezegd dat dat percentage nu flink zal gaan dalen. Bedankt hoor, onderwijspartij!

Natuurlijk is de maatschappij niet verplicht de kans dat grote kunst zal worden gemaakt te vergroten. Noch is ze verplicht de kans dat grote wetenschappelijke ontdekkingen worden gedaan te stimuleren – en natuurlijk, er zullen altijd mensen blijven bestaan die ‘against all odds’ het weten redden – die niet hun kennis als chemicus in dienst stellen van Pepsi Cola om hun producten nog verslavender te krijgen, maar het belang van de wetenschap en de mensheid voor ogen hebben. Wil de overheid daar een rol in spelen dan zul je zowel kunst als wetenschap uit de klauwen van de markt dienen bevrijden. Bezien dat het voortbestaan van de mensheid er heel wel vanaf kan hangen lijkt me dat het beste uitgangspunt.

De methodiek daartoe lijkt me vrij eenvoudig: een basisinkomen voor kunstenaars en wetenschappers. Dat lijkt op het eerste gezicht oneerlijk, waarom niet voor iedereen – maar bedenk je dat zo’n inkomen geen vetpot zal zijn en dat deze mensen zich voor het algemene belang inzetten. Vervolgens dient aan de poort van die regeling streng te worden gecontroleerd, en niet door Tjechovs Vlinders.

We moeten lief zijn voor Amsterdammers

Een ander punt is natuurlijk: waarom zouden we juist de historisch enorm geprivilegieerde Amsterdammers de politieke agenda moeten laten bepalen? Dat zij de agenda op deze wijze kunnen bepalen is immers al een gevolg van een scheve machtsverhouding. Natuurlijk, ik weet ook wel dat het geen pretje is in het huidige tijdsgewricht in die stad te moeten vertoeven, met de torenhoge huren en de halve stad in handen van Prins Bernard jr. Maar dat is juist een wezenlijk onderdeel van het probleem: de niet-zo-getalenteerde provinciaal trekt naar het centrum van het haardvuurtje, alleen om te ontdekken dat hij in de hel wist belanden, wat hem alleen maar extra zal aanzetten tot een recht op privilege, immers, hij moet dit alles toch niet voor niets doorstaan.

Het is dus niet zo vreemd dat juist uit dit netwerk de meest wanstaltige en gefrustreerde stemmen klinken, stel je toch eens die schrijver voor, die werd wijsgemaakt dat je in Amsterdam moet wonen om het als niet-zo-getalenteerde te maken, daar staat het heilige stoeltje, daar kun je in de kroeg gaan zitten met recensenten en uitgevers. Schrijver X uit Lutjepoep moet 10 jaar netwerken om 1000 euro per maand voor een hokje van 3 bij 4 te mogen betalen. Het is niet zo vreemd dat juist Schrijver X op termijn gaat menen allerlei denkbeeldige privileges te bezitten – pure compensatie voor al het leed! Laat hem tenminste een stukje geschiedenis mogen herschrijven! Geloven dat al dit leed tenminste niet om niet was – wij zijn de progressieven!

De verkramptheid van veel beleid is denk ik psychologisch op dit compensatie-fenomeen terug te voeren. Heel Nederland heeft uiteraard precies dezelfde etnische samenstelling als Amsterdam, en wij representeren iedereen (het komt nooit bij ze op, vreemd genoeg, dat dat een privilege is) , dus moet onze macht gaan waar de macht nooit eerder ging, het herschrijven van de geschiedenis, het bepalen van elke politieke agenda met gedateerde sociologenpraat, het uitsluiten van allerlei mensen en dat ‘inclusiviteit’ noemen, je kunt het zo gek niet verzinnen, maar erachter pulseert een enorme pijn en frustratie: de Nederlandse Droom bleek oplichterij.

Het mag dan ook geen wonder heten dat alle ideetjes rechtstreeks van de Grote Leider zijn overgenomen, de USA, want het privilege een echt eigen cultuur te bezitten is al lang verloren gegaan. Stand up comedy en Spoken Word moeten de norm worden! Tuurlijk, wat maakt het ook uit, laten we ons vooral beginnen gedragen als de 53e staat van Amerika, dat deden we al lang en doen we steeds fanatieker. Net als The American Dream is ook de Nederlandse Droom een psychotisch fenomeen – je investeert je hele leven in een ‘succesverhaal’ en zit uiteindelijk op een houtje te bijten om zo ‘succesvol’ te kunnen zijn.

Laten we lief zijn voor deze mensen. Ze hebben het niet makkelijk, en hun ‘politieke’ standpunten moeten we toch vooral als een noodkreet zien. Het beste kunnen we ze gewoon gelijk geven. Ja inderdaad, het was geen Gouden Eeuw. Nee, precies, dat speelgoed moet ontsekst worden. Geef die mensen toch wat broodnodige erkenning, voor ze op een killing spree gaan.

Gombrovicz, Chomsky en het privilege van het privilege.

Uit de laatste ‘de Gids’ kunnen we opmaken dat de structuralisten de oorlog hebben gewonnen. Veel tekst, heel veel tekst, weinig lyriek of dichtheid. Huub Beurskens komt met een bizar boek dat ‘het beste’ uit de dagboeken van Gombrovicz zou selecteren, alsof een lezer niet in staat zou zijn zelf te bepalen wat goed is of dat die dagboeken op een of andere manier slecht leesbaar zijn. Dat een uitgever ervoor kiest ‘het beste uit’ de dagboeken volgens Beurskens te publiceren in plaats van de dagboeken zelf is volkomen bizar. Het werk zelf is niet verkrijgbaar, maar het smaakje van de bemiddelaar wel.

Ik ben nooit dol op Chomsky geweest, juist omdat hij schermt met absolute begrippen als ‘de waarheid’ die zijn voorgangers al lang en breed ontmantelden. Dan is het alsof iemand doet of al die zaken voor hem nooit geschreven zijn, en we weer opnieuw mogen beginnen, alsof de boekdrukkunst voor niets is uitgevonden. Alsof hij geen verantwoordelijkheid heeft dat verleden in het eigen werk in te kapselen.

Filosoof 1 spaart koste noch moeite om aan te tonen waarom het begrip ‘waarheid’ vals is. Filosoof 2 doet net alsof filosoof 1 niet bestaat en hij gewoon verder kan met dat aloude valse denkbeeld. Dit is precies wat Baudrillard bedoelde met een hyperrealiteit: het voorgaande bestaat niet, we kunnen bij het nu beginnen, er bestaat geen verantwoordelijkheid om je voorgangers te moeten overtreffen, het voldoet om enkel een ‘eigen wereldje’ in het hier en nu te zijn. Chomsky is om die reden een hyperfilosoof – zoals overigens de meeste filosofen dat nu zijn.

Als het om ‘de intellectueel’ gaat is het van groot belang eerst te bedenken hoe je dat begrip zou definiëren. Zelf hou ik van de definitie die Gore Vidal hanteerde: een intellectueel is een persoon die zich niet laat vertegenwoordigen. Vroeger hadden zelfs journalisten dat, als ze al op een politieke partij stemden hielden ze dat geheim, want het zou hun integriteit aantasten zich te laten vertegenwoordigen door een ‘partij’.

Tegenwoordig leven we eerder in de omgekeerde wereld: er zijn dichters wiens hele werk lijkt bestaan uit het overschrijven van het partijprogramma van Groen Links, alles met de grote heilige betrokkenheid in het achterhoofd.

Dat Nederland nauwelijks intellectuelen heeft werd duidelijk na een grote gebeurtenis als 911. De hele schrijvers en dichterskaste hield er de mond over en deed alsof het propagandaverhaal de enige mogelijke interpretatie was. Dan ben je in mijn ogen geen intellectueel maar een systeemapologist. De intellectueel is een persoon die lastige vragen weet stellen, niet een persoon die bij een cruciale gebeurtenis in de wereldgeschiedenis een gangbaar verhaaltje voor lief neemt.

Het je bezighouden met ‘privileges’ is bij uitstek een gepriviligeerde bezigheid. Als je zo’n overweldigende hoeveelheid privileges hebt waarom kun je dan alleen aan je carrière denken? Dat is met elkaar in tegenspraak. Slavernij met privileges, een bespottelijk concept. In een discussie met Marc van Oostendorp komt dat duidelijk boven: hij definieert geld als ‘het echte’ en de baan als ‘de keuze’. De omgekeerde wereld, want iedereen weet dat geld niet echt is en juist een baan wel.

Daarmee worden al die ‘privileges’ van het westen precies alleen maar de privileges van slaven: ze zijn zogenaamd superieur aan die derde wereld, en het ‘linkse’ idee is dan je je over die zogenaamde superioriteit flink schuldig te voelen, terwijl in de echte wereld de afrikaan bijna oneindig meer privileges geniet: het privilige geen hypotheek te hebben, het privilege van afdoende zonlicht, het privilege van nog wel een cultuur bezitten die verschilt van de amerikaanse, ik kan bijna oneindig doorgaan.




Serieuzere zaken

Goed, die Guus Meeuwis versie van Le Dernier Repas die Beurskens schreef, wat valt er verder over te melden, je zou er hoogstens over kunnen discussiëren dat het niet alleen Guus Meeuwis was maar ook Johnny de Selfkicker die hier aan Brels tekst heeft zitten morrelen – niet echt de discussie waar je als poëzieliefhebber op zit wachten.

Beter naar een veel serieuzer onderwerp: mishandeling. Niet van mens of dier, dit keer, maar van een nog onschuldiger en hulpelozer entiteit, het boek. Een dier kan nog krabben of bijten, een boek kan helemaal niets, een boek is de vleesgeworden passiviteit waarvoor de lezer als beschermheer is aangesteld. De smeerpoets in kwestie heet Marc van der Holst. Hij heeft slechts een maand voogdijschap over dit kwetsbare kind. Maar de instructies van Alexis de Roode volgen ho maar, geen handen wassen, geen handschoenen, ranzige Marc uit de bekende bossenbollenfamilie stofzuigt zelfs zijn bedompte hok niet voor hij mijn boek ter handen neemt. Schandalig. Van der Holst moet minstens een flinke taakstraf krijgen. En natuurlijk een nieuwe bundel aanschaffen, hoewel ik die met pijn in het hart naar deze vunzige troglodiet zal opsturen!

Maar lang zal van der Holst niet in zijn bezoedelde vuistje lachen: