LSD is gevaarlijk, maar niet om redenen die men denkt / je moet zonend weten worden.

Is LSD gevaarlijk zoals je vaak mensen hoort zeggen? Het antwoord op die vraag is: ja, LSD is inderdaad gevaarlijk, maar niet per se om de reden dat mensen denken dat de substantie gevaarlijk is – dat gaat dan meestal over ‘gek worden’ of ‘in een psychose raken’ en dergelijke denkbeelden – het eerste is nogal kinderachtige flauwekul, het tweede bijzonder onwaarschijnlijk, behalve als je flink wat dingen verkeerd doet. Nee, LSD is om dezelfde reden gevaarlijk dat een tijger gevaarlijk genoemd moet worden ten opzichte van een huiskat: hij is groter en gespierder.

En omdat hij groter en gespierder is kan hij je misschien gevaarlijke dingen laten zien. Het gaat dan om soorten magie die je eerder zelf niet voor mogelijk zou hebben gehouden – ik was zelf dit weekeinde als tripsitter getuige van een persoonswisseling, waarbij de ene tripper verwisselde van lichaam met de andere. Zonder verder teveel in details te treden – zulke zaken zijn op LSD mogelijk maar niet per se waar je mee wilt experimenteren, en ik weet niet of het als kennis nuttig is, hoewel nu ik er over nadenk het best een bijzonder gave kunde zou kunnen worden.

Gevaarlijk, ja, het leven is een beetje gevaarlijk. Wat verschrikkelijk, jongens en meisjes, over de straten rijden automobielen en voor je het weet ben je je beentjes kwijt. En ja de toverdrank is gevaarlijk, voor je het weet ZIE JE DINGEN DIE ER NIET/WEL ZIJN.

Want precies daarover verschillen de meningen. Er zijn twee manieren om de werkelijkheid te benaderen. De eerste is dat zo’n trip je allerlei dingen laat zien die er niet zijn, en dat je na de trip wederkeert naar de echte wereld. Dat is het gezichtspunt van de normalo.

Magiërs en sjamanen geloven iets anders, namelijk dat zo’n trip je helpt de werkelijkheid beter te zien. Er bestaan in hun filosofie dus helemaal geen hallucinaties, wat je ziet is een werkelijkheid die wat minder gefilterd is doordat de drug wat van de filters uitschakelt die je hersenen normalerwijze over de werkelijkheid heen leggen.

Dat is een gezichtspunt dat diametraal tegenover het standpunt van de normalo staat: bij hem is de geconditioneerde geest de ‘echte’ en de wereld die hij waarneemt dankzij teacher plants een soort ‘fantasietje’.

Heb je echter genoeg energie verzameld om je dit gezichtspunt te kunnen veroorloven (want dat is namelijk denk ik niet mogelijk zolang je te verknoopt zit met het primaire angstcircuit – wie nog angst als raadgever heeft kan niet zonder dat veilige haventje van ‘de echte wereld’ – en je moet een warrior zijn om die andere verklaring te kunnen beleven.

Maar zodra je dat kunt en doet zul je merken dat hallucinaties helemaal niet bestaan en dat iedereen eigenlijk altijd aan het trippen is, alleen hebben sommige mensen gedurende dezelfde stomme, saaie, oervervelende trip, waar ze dankzij hun angstverslaving zo aan gehecht zijn dat elke mogelijke andere trip tot het rijk der fabeltjes moest worden verwezen.

Dat is precies waar Castaneda op doelt als hij schrijft dat krijgers niet de wereld hebben om zich mee te beschermen, en dus de Warriors Explanation nodig hebben om te kunnen functioneren – een kaart eigenlijk van hoe die andere werkelijkheid in elkaar steekt. Die kaart is niet het gebied, maar wel een stuk gereedschap om te voorkomen dat je geest in de war of kwijt raakt.

Dat laatste is ook een van de gevaren van LSD – toen ik de trippers door het bos leidde (zorg bij LSD altijd voor een goede tripsitter) was een ervan voortdurend het bewustzijn kwijt hoe hij überhaupt op die plek had weten komen. Het is niet moeilijk je dan in te beelden wat er zal gebeuren als zo iemand geen tripsitter bij zich heeft die hem dat kan vertellen. De ultieme paniek, en ja zo kun je wel eens in een psychose raken als je pech hebt, hoewel wat de psychiaters psychose noemen ik het bevroren angst syndroom noem – een mens trekt zich onder invloed van angst als een soort oester in zijn schelp terug, en zoals ik het anderdaags formuleerde:

Subject A is bang, erg bang, dat een psychose terug komt. Maar wat als die nooit is weg geweest en zich simpelweg wist vermommen als angst voor zichzelf?

Want als een psychose inderdaad een bevroren angst syndroom is dan is iemand die in enorme angst leeft dat een psychose terug komt niet erg veel opgeschoten.

Enfin. Ik had een vreemde ervaring vannacht: mijn bewustzijn transporteerde naar een slak en voor een kortstondig moment was ik een slak, iets waar ik ook van schrok, iets van WOW FUCK IK BEN EEN SLAK! Dat is geen angst, meer een soort verbazing over de mogelijkheden die het universum voor ons in petto heeft. Met een slak leren bodymelten zal wonderen verrichten voor mijn algemene acceptatie in de hokjesdichtersmaatschappij, anderhalvemeterbang of niet.

Dit prachtige padje dook op na onze sessie:

Ondertussen heeft mijn bundel Ginneninne de voltooide vorm weten vinden. Volgens mijn lief kom ik als katachtige uit Lyra. Nu is mijn poëzie in tegenstelling tot wat je meestal tegenwoordig ziet ook wel lyrisch – die uitgeklede machinetaal die je meestal in dichtbundels aantreft tegenwoordig is mij een gruwel(1). Het laat mij enkel zien dat de machinegeest steeds meer terrein wint. In Ginneninne heb ik meer epiek toegevoegd, zodat het een soort episch-lyrisch keeltiaans geheel werd. Want lyriek zit in de keel, natuurlijk.

Kijk maar, twee kelen naast de lier. Bij de keel grijpen, dat is de lyrische kunde. De brok in de keel.

Tot aan krakschaap heb ik nooit veel stilleventjes gemaakt, en krakschaap/winterslaap zelf was een soort gigastilleven uit het oogpunt van insecten. Natuurlijk, er zat wat landschap in, maar twee critici beschreven het als een soort landschappen van taal, maar dat raakt de essentie niet van wat ik deed daar, dat zou je op zoveel dingen kunnen plakken. Een dichtbundel is op een of andere manier altijd wel een landschap van taal.

In Ginneninne waag ik me opnieuw aan het stilleven, zes zijn het er dit keer, geschreven vanuit? De dierenriem? De sterren? Een tijdmachine? Voor kerstmis? In het nedergaals? Met een cactus als eindredacteur? In elk geval is het gezichtspunt ditmaal een meer zonende. Want lyrisch zijn is niet genoeg, je moet ook zonend weten worden.

Zoning: de kunde het bewustzijn als een spectrum te gebruiken en een gedachte niet langer als een eenheid maar als een gradient te beleven.

(1) Ja, ook als deze ironisch bedoeld is. Taalarmoede die ironisch bedoeld is kan ik missen als kiespijn(2), zeker als de dichter in kwestie nooit met enige verve liet zien dat hij wel een taal machtig is. En dat mag best in eerste instantie gewoon het Nederlands zijn.

(2) Nog veel erger: taalarmoede die vernieuwend is bedoeld. Je verzint het echt niet!