Awater een meesterwerk?

Waarom doet Kregting alsof er na hem nog een soort ‘toekomst’ komt die gaat beschikken over Joost Zwagerman, terwijl die beschikking allang en breed vastligt: een eindeloze sleep neerlandici die zo verliefd zijn op het eigen stemgeluid dat elke aanleiding deze te laten klinken wordt verzilverd, en zo kunnen we nog honderden stukjes over Zwagerman tegenmoet zien, en zal men in de toekomst menen dat dit een wel erg belangwekkend schrijver was, ondanks het feit dat de meeste stukken reppen van een makkelijk te vergeten oeuvre. Zo zaten we ook in no time met Nijhoff opgezadeld en een keur van andere halftalenten.

Marc Kregting: Nijhoff was niet bekend bij een groot publiek en werd gewaardeerd door collega’s. Er is heel wat over hem geschreven, inderdaad, maar over zijn werk. Een Nijhoff-biografie bestaat bij mijn weten niet, terwijl die over Zwagerman al is aangekondigd.

@Kregtink – dat hij zo gewaardeerd werd door collega’s neem ik voor kennisgeving aan – ik neem aan dat dat de reden was dat niemand een stukje over zijn overlijden wou schrijven bij de maatschappij der letteren? Misschien was het zijn toelage van tienduizenden euro’s per maand die hem zo populair wist maken, of dat hij niet bij de andere soldaten in de kazerne wou slapen maar in een duur hotel tijdens de beruchte slag bij Arnhem waar hij als beroemd dichter de troepen leidde zonder dat enig verhaal daarover overleefde. De populariteit kreeg voorts verder gestalte toen zijn zoon kort na zijn dood gehaast alle brieven liet verbranden, en men kan uit een niet geomitteerd commentaar over de Duitsers uit het brievenboek dat op mysterieuze wijze wel wist overleven wel raden waarom. Populair bij collega’s, dat zal het geweest zijn!

Peter J Flaton: Voor het overige is Martinus Nijhoff in onze (twintigste-eeuwse) letterkunde een van de belangrijkste dichters, de schepper van een qua omvang bescheiden en kwalitatief hoogstaande oeuvre: ‘Het veer’, ‘Het uur u’ en ‘Awater’ behoren mee tot het beste wat die literatuur heeft voortgebracht.

Toch een beetje wrang dat mijnheer Nijhoff de mannen moest bevechten die hij eerder in een brief aan zijn vrouw bij de inval van denemarken nog wegens hun enorme efficientie had toegejuicht. Dat hij in een luxe hotel zat klopt, dat dit gebruikelijk was voor onderofficieren, welnee, dat denken welllicht gepensioneerde leraren, maar normalerwijze slapen onderofficieren gewoon op de kazerne, maar niet als je van een reusachtige toelage kunt leven.

Dat de boeken van Nijhoff de beste boeken zijn die de Nederlandse literatuur wist voortbrengen vind ik een wel erg deprimerende visie op deze literatuur, maar ik zou ook niet weten waarom uw mening in deze enige relevantie heeft. U bent een oerconservatief, strenggelovig sektelid dat het Nederlands uitkoos als een mooi bastion om uw maffia-flauwekul vanuit te preken en verspreiden. Het gaat schijnbaar zo abominabel slecht met het Nederlands dat zelfs dit blad het bij de conservatieven moest gaan zoeken.

Peter J Flaton:  Toen ik mijn repliek schreef, wist ik wat me te wachten stond want wie het waagt u te weerspreken, krijgt het voor z’n kiezen. Uiteraard doet mijn mening over Nijhoff er niet toe (daarvan ben ik me bewust): alleen de uwe telt. Het wachten is op het volgende salvo.

(Mijnheer Flaton speelt steeds slachtoffer, en dat is hij ook want de man is geen partij voor me. Dan daagt plots een van de figuren op neerlandistiek me uit om te bewijzen dat Awater geen meesterwerk zou zijn.)

Hij zou een oorlogsheld zijn, gebaseerd op ‘een schermutseling’ waarin hij de SS flinke klappen toebracht, zijn troepen kalm leiding gevende in alle glorie – bon, u bent van de feiten merk ik, mijnheer Flaton: is het niet een beetje vreemd dat deze oorlogsheld in het overigens slaapverwekkende brievenboek aan zijn vrouw grote bewondering uitspreekt voor deze vijand, en dat zijn zoon snel alle brieven heeft verband na zijn dood, een beetje vreemde held is het toch op zijn minst, net als die andere held die zo door uw generatie op een voetstuk werd geplaatst ten koste van anderen, Lucebert. Je zou er bijna een agenda in gaan zien, maar gelukkig weten we dat de literaire propaganda van het toeval aan elkaar hangt en dat we hier op neerlandistiek.nl het met uw stijve religieuze pruik kunnen doen heeft te maken met de populariteit van dit genre, welke, nee maar, ook voornamelijk door uw slag en uw godverloren waardes in de verdoeming raakte, eerst zet je prutsers op een sokkel, dan koppel je je kerkblaadje eraan, en als dan de klasjes leeg blijven is dat de schuld van de moderniteit.

‘Wees hier aanwezig, allereerste geest,

die over wateren van aanvang zweeft.

Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,

het is gelijk de wereld woest en leeg.

Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,

puinhopen zien en zingen van mooi weer,

want zingen is slechts hartstocht van een zweer

en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.’

Wateren van aanvang? Wateren van aanvang? Wat is dat voor krukkige taal, taal van iemand die het Engels niet goed genoeg beheerste om te begrijpen dat je het ‘primordial water’ uit Genesis niet op zo’n stompzinnige manier vertaald. En dan zitten we pas in de tweede regel van dit van krukkigheid omvallend monstertje, dat geen enkele intellectuele analyse zou overleven, laat staan enige dichterlijke.

‘Zingen is slechts harstocht van een zweer’….mijn god, heb je een bierviltje, Ronald?

En nu we toch hier zijn, Ronald, waarom is het Oog Gods net als de wereld woest en leeg?’ We weten dat Nijhoff van de priesterkaste was, anders zou je daar toch al snel blasfemie in ontwaren, maar nee het is onkunde, hij wou iets anders uitdrukken, maar wat dat interesseert mij hier allang niks meer.

En eh, die vorige eeuw dan, die (godbetert) ‘puinhopen wou zien en zingen van mooi weer’ (vind je dat mooi gezegd, Ronald? Een meesterwerk?) – maarre: hoezo wou juist de negentiende eeuw puinhopen zien en verbergen, en niet de twintigste waarin Nijhoff naar horen zeggen leefde?

Om vervolgens tot de conclusie te komen dat ‘nimmer is, wat ook, ooit puin geweest’. Nou, daar mogen we het mee doen. Maar hoe is dat in het licht van voorgaande een interessante mededeling?

Van wie moest dat goede oog overigens zich het werk toe keren? Zat God te suffen? Of keek hij met een schuin oog naar iets anders dan de schepping, en zo dat het geval was: waar keek hij dan naar? Okay Ronald, grote literaire intellectueel, het zal mij benieuwen waarom dit zo meesterlijk moest heten. En dat is dan de eerste strofe nog maar, die zijn meestal het best doorwrocht.

Als Nijhoff exclusief het werk bedoelde had hij het anders op moeten schrijven, en dat is mijn punt ook zo’n beetje: het is prutswerk, op bijna elk denkbaar niveau. De stem vraagt de geest orde te scheppen – wat zegt u? De heilige geest bestond al in den beginne? Maar van wie is de stem dan, want van God zal hij niet zijn. De dichter, zegt u? Nu wordt het helemaal fraai. De dichter die God aanwijzingen verstrekt hoe de schepping te volbrengen. Mijnheer Flaton, u vergat mijn andere vraag: waar keek dat goede oog naar voor de dichter God vermaande dat hij wel naar de schepping diende kijken?

Dat ‘Wateren van Aanvang’ prachtig allitereert bij ‘Awater’ vind ik dan weer het taalgevoel van iemand die nog in de blokkendoosfase weet verkeren.

Of bedoelde Nijhoff dat God behalve een goed ook een kwaad oog had, dat hij aanvankelijk naar de schepping richtte, maar dat de dichter door zijn heldhaftige tussenkomst de schepping wist redden door God te commanderen het goede oog op de schepping te richten? Interessant hoor, hoe belangrijk de rol die Nijhoff zichzelf toekende in de schepping, maar het rijmt denk ik toch meer met een soort New Age hoewel dat hele awater natuurlijk niets was dan een verkooppamflet om mensen naar de nieuwe Agatha Christie te lokken waar zijn familie de centjes mee verdiende.

En dus verandert het ehm ‘spannende’ scheppingsverhaal al vrij snel in een al even krukkige maar bloedeloze treinreis, Murder in the Orient Express, mijnheer Flaton, spannende boeken, verkoopcijfers.

Een bede? ‘Uw goede oog moet zich dit werk toe keren’ klinkt niet als een bede. Dat ligt aan het woord ‘moet’ en omdat het – zo beweren jullie – hier om een ‘meesterwerk’ zou gaan vind ik de suggestie dat God eerst zijn kwade oog op de schepping richtte, of ergens anders naar keek volgens de dichter – ja, heel amusant, maar het probleem is dat mijnheertje Nijhoff het helemaal niet amusant bedoelde, en dat de tekst zich dus helemaal niet naar de hand van de dichter wil zetten.

Nee, dit is hoogstens een matige tekst van een burgerlijk mannetje dat even mysticus wil spelen op papier, en in zijn grootheidswaan denkt dat dit behelst dat hij Onze Lieve Heer op papier rond mag commanderen.

Een blaag, die onze gestrenge voorvaderen bij de oren zouden hebben gevat linea recta het kolenhok in met deze poseur.

Je zou hoogstens Nijhoff de eerste postmodernist kunnen noemen, met die clown Awater en deze kluchtachtige, slecht geschreven Genesis, maar vertelt u toch eens, meester Flaton, wat is dan precies de rol van de negentiende eeuw hier in dit Genesis?

Waar agatha christie vandaan komt: dat boek moest in hetzelfde jaar een hit worden, en werd uitgegeven door de vader van Nijhoff die om die reden Nijhoff dus had verzocht eens een gedicht te schrijven over een spannende treinreis, want dat moest in de mode zijn, maar dat ventje met zijn grootheidswaan moest er natuurlijk meteen Genesis op een kluchtige manier bijslepen, en zo ontstond Awater, een aanfluiting maar wel goed voorbeeld van vroeg postmodernisme.

Nijhoff kreeg omgerekend naar moderne middelen ongeveer 20.000 euro aan toelage per maand dus geld verdienen van zijn gedichten zou hem worst zijn geweest, maar hij voelde zich wel verplicht af en toe iets voor het imperium van zijn vader te doen, en die wou een hit scoren met Agatha Christie en dus ging hij tegen heug en meug in daar een beetje een reclamepamflet bij schrijven, stoute jongens, spannende treinreizen, zet er maar een saaie kantoorklerk in en laat het openen met Genesis, dat zal die ouwe leren met zijn verzoekjes, wat een kutverzoek, de weerzin en de hekel aan de vader ligt duimendik op het gedicht, meester Flatton, maar vertelt u toch eens, wat doet de negentiende eeuw daar plots midden in Genesis?

Het is natuurlijk niet mijn probleem dat een of andere malle babbe uit maastricht in een postmodern werkje een soort religieus meesterwerk denkt te kunnen zien, u kunt daarin een belediging ontwaren maar de belediging is de gebrekkige mening, het fout plaatsen van het werk van Nijhoff, de vertekening die dit oplevert. En daar gaat deze discussie ook over, want Kregtink schrijft min of meer iets gelijkwaardigs over Zwagerman, en het punt is denk ik dat we al deze ‘beroemdheden’ aan de Neerlandistiek te danken hebben, die klaarblijkelijk redder in nood dient spelen voor mensen die met uitsterven worden bedreigd. Nu ben ik best in voor een grap, maar deze duurt al wel erg lang, ik denk dat een redelijk lezer me op dat punt gelijk dient geven.

Share:

More Posts

De kenmerken van een predator (4)

Wat vooraf ging: we concludeerden dat mensen die kinderboeken voor volwassenen schrijven en zich kinderachtig voordoen een type predatoren zijn, omdat ze de lezer niet

De kenmerken van een predator (3)

Als je het over een predator hebt denken mensen bijna automatisch aan een roofdier, aan goede jagers, aan machtige gespierde katten. Maar dat is niet

De kenmerken van een predator (2)

Een prima voorbeeld van ‘kinderachtig is goed genoeg voor iedereen’ zijn bijvoorbeeld mensen die zich raar mogen gedragen omdat ze binnen bepaalde lijntjes op een