De blinde vlek in de canon: het hakenkruis

Analyse van het beeld

In vergane dagen hield ik in Istanbul het hoofd boven water door geld te verdienen met mijn zelf-ontwikkelde ontwerpersvaardigheden. Een deel van die vaardigheden betrof logo ontwerp, wat eigenlijk de moeilijkste tak is aan de ontwerpboom. Anderzijds heb ik altijd veel interesse gehad in het analyseren van propaganda, en hoe deze propaganda zich in beelden weet vertalen. Ik ben dus denk ik een geschikt persoon om met een professioneel oog naar de beeldvorming rondom de canon van de Kantl te kijken.

Wat allereerst natuurlijk opvalt: ik ken eigenlijk geen enkel bedrijf die zijn gebouw in het logo zou zetten. Stel je een logo van Philips of Shell voor waarin een of ander hoofdkantoor staat afgebeeld. Het roept meteen de vraag op: waarom? Ben je zo trots op je gebouw dan? De geschiedenis van KANTL doornemende begrijp ik dat wat ambtenaren het gebouw ooit cadeau kregen van de verschrikkelijke tiran Leopold, en klaarblijkelijk waren ze daar zo trots op dat meer dan honderd jaar later het gebouw nog steeds in alle logo’s dient prijken.

Een gratis gebouw! Kijk eens, wat een mooi gebouw! Wij hebben een gebouw! Och och, het is bijna aandoenlijk hoe blij letterknechten zich soms kunnen gedragen na een kadootje van een tiranieke pedofiel. Van Michel Beuls begreep ik dat wie binnenstapt bij de Kantl meteen wordt aangestaard door schilderwerken van Leopold, die nog immer in de lobby hangen. Goed goed, wij hebben een gebouw, lang leve het gebouw en de tiran, en we mochten een Canon maken. En daar moet ook weer ons gebouw op!

Ik zou als modernisering van het logo aanraden daar een serie tiny houses op te zetten.

Maar laten we nu eens een wat scherpere blik op het logo van dienst werpen. Het is een vreemd logo, want er zit allerlei pixelrommel in die je ziet als je inzoomt, en dat betekent dat iemand heeft zitten knippen en plakken met het oude logo, er was geen geld om een designer in te huren denk ik.

Opvallend is het keltische kruis bovenin het logo dat verdacht veel weg heeft van een hakenkruis.

Het blijkt na nader onderzoek naar het echte gebouw gewoon een of andere weerbol, maar dat heeft zich ‘toevallig’ bij het omzetten naar een logo weten vertalen naar een hakenkruis, en wordt door de visuele cortex ook als dusdanig geregistreerd.

Omdat ik aanneem dat het logo toch enige vorm van evaluatie heeft ondergaan moet ik hier concluderen dat dit geen toeval is, en hier doelbewust een van een racist kado gekregen gebouw met een hakenkruis erop wordt gepresenteerd als idee van een ‘canon’.

Dat lijkt me op zijn minst gezegd nogal merkwaardig. Waarom zouden de letterknechten dit beeld bij iedereen in het hoofd willen prenten? Goed goed, ik snap die bombast van zo’n roccoco gebouw, welke eigenlijk natuurlijk de piramide weer is, gebouwd door allerlei slaven, och och zet er toch zo snel mogelijk wat tiny houses neer, jongens, in plaats van deze wel heel vieze blinde vlek.

Merkwaardig genoeg had het SS hoofdkwartier in Berlijn precies dezelfde rococo structuur:

Als beeld levert het als totaalplaatje een wel heel sinister beeld op. Persoonlijk denk ik dat de eerder vermelde dystopische luiheid hier een rol speelde, want ik geloof niet dat we hier met een nest oude oorlogscriminelen van doen hebben, hoewel je dat nooit helemaal zeker kunt weten. Het is in elk geval een groepje lui die flink hun best doen de literatuur te beïnvloeden, en daar zie je al wel een zekere tirannieke invalshoek in.

Bovenstaande leverde een discussie in de mail op met Marc van Oostendorp. Hij beweert bij hoog en laag dat hij geen hakenkruis kan zien in het symbooltje. Hij schrijft dat deze beeldanalyse mijn stuk over de canon zwakker maakt, de tweede wereldoorlog er met de haren bijslepen. Mijn antwoord:

Juist wel, want het stuk gaat over het fenomeen van de ‘blinde vlek’. Er zijn technisch maar twee manieren waarop het brein dit kleine symbool kan registreren: als keltisch kruis, ook een nazi symbool, of, als je wat beter kijkt en het aanvullende visuele register zijn werk laat doen – als een hakenkruis. Het symbool is hoe dan ook een fout symbool. Als logo ontwerper kijk je altijd naar hoe een logo door de massa kan worden geregistreerd, dat is onderdeel van je werk. Dat jij er hoogstpersoonlijk (en nogal recalcitrant) er wel erg nadrukkelijk geen hakenkruis in kunt zien doet dan niet ter zake, het gaat niet om jou maar om het collectief. Zelfs al ziet maar 10% van de mensen er een hakenkruis in, waarom zou je dat risico willen nemen?

Wat is de canon eigenlijk?

Eerder had ik het over de canon als een ‘leeslijst’, bedoeld om wat onnozele types een idee te geven wat het lezen waard zou zijn, een en ander in een soort scholestiek verband bedoeld.

Toen ik er echter wat dieper over nadacht brak dit beeld eigenlijk in stukken. De canon kan helemaal geen leeslijst zijn, want er is geen enkele reden waarom de prachtige Tjechov vertalingen van ……. niet op deze lijst zouden horen, en literair veel minderwaardiger lokale producten wel. Nationalisme hoort in de literatuur niet thuis, al zeker niet op een leeslijst die zich op kwaliteit beroept. De canon kan dus nooit een leeslijst zijn, maar wat is het dan eigenlijk wel?

Het woord ‘canon’ is afkomstig uit religieuze hoek, κανών (kanoon: richtsnoer, maatstaf) en wie een canon wil neerzetten is dus bezig met normering. Maar wat voor normering? Men doet het voorkomen alsof het allemaal om iets als ‘literaire kwaliteit’ draait. In werkelijkheid is het denk ik iets anders, namelijk een gallerie nationale heiligen, die de functie heeft te laten zien welk GEDRAG door de orde wordt beloond met de eeuwigheid.

De punt van de piramide staat in het heden, en de inherente boodschap is dat in het hier en nu niemand goed genoeg is, terwijl in het verre verleden allerlei rolmodellen opdoemen.

Wie bijvoorbeeld de poëzie ietwat serieus neemt ziet dat bijna alle belangrijke dichters uit de twintigste eeuw ontbreken, van Rodenko tot Snoeks tot ter Balkt tot Ouwens tot Faverey, en deze echte dichters zijn vervangen door ‘rolmodellen’ als Bloem en Gerhardt, terwijl geen poëziekenner die zijn zout waard is de mening zou zijn toegedaan dat deze twee superieur waren: de echte reden dat deze twee er staan heeft enkel met een ander soort kwaliteit van doen: de kwaliteit van de figuur als gedragsmodel.

Het viel mij al langer op dat literaire prijzen eigenlijk gedrag belonen: wie het juiste politieke geluid laat horen, zich voorbeeldig als een rolmodel gedraagt, een zekere voorspelbaarheid ten tonele voert en niet al teveel afwijkt van de norm krijgt een prijsje.

De ‘canon’ is dus de ultieme gedragsprijs, waarmee de overheid wenst communiceren wat voor types schrijvers ze wenselijk acht. Dat zijn vooral zwijgende, onderdanige en religieuze types. Gedraag je zo en je zult de eeuwigheid waardig zijn.

Ook over het andere ultieme prijsje, de Nobelprijs, zwaait de KANTL de scepter. Hoe nu, en de baas van de canon en de baas van de andere ultieme prijs, dat is toch geen wenselijke structuur? En wie echt een wrang beeld van dystopische luiheid wil krijgen moet maar eens de nobelnominaties van afgelopen 50 jaar doornemen. Ik begreep van een bestuurslid van een van de deelnemende organisaties dat je jaarlijkse nobelnominatie als een hamerstuk in een minuut voorbij komt. ‘De nobelnominatie: dit jaar weer Nooteboom, iemand bezwaar? Nee? Klaar.’

En wie analyseert ‘waarom’ dan juist Nooteboom stuit op een lui, schimmig verkoopcijferpraatje over ‘het goed doen in Duitsland’, alsof het dan nog over literaire kwaliteit zou gaan. Nee, het waarom boeit hen in werkelijkheid geen moment: Nooteboom wist het verdienen door zich voorbeeldig te gedragen, als een soort voorbeeldige exponent van de toerismesector. En dat terwijl een modern mens toch eerder de vraag zou stellen hoeveel Co2 Nooteboom wist opwekken met al die muse-reisboeken?

Hoe nu verder?

We mogen dus met een gerust hart stellen dat die hele ‘canon’’ en alles wat er aan vast kleeft een blinde vlek genoemd mag worden, die het beste zo snel als het maar even kan dient worden vervangen door een structuur die de literatuur wel serieus neemt. Ik zou willen voorstellen dat die vernieuwing begint bij het beeld, een mooi stuk braakland met wat tiny houses is een modern beeld van het moderne schrijversschap. Verder dient de oude reptielenpiramide te worden ontmanteld, en dient er weer jaarlijks een levendige discussie plaats te vinden over wie te nomineren, en dienen de organisatoren van de canon en de nobel niet in dezelfde handen te liggen. Dan is er misschien een klein begin.

Conclusie:

De canon is een dystopische structuur die als functie heeft gedrag te normeren, een structuur die zich stoelt op een oude reptielachtige piramide die als wezenlijke boodschap heeft dat niemand ooit goed genoeg is, maar dat wie zich netjes weet gedragen ooit de hemel zal weten verdienen. De structuur heeft met echte literatuur niets van doen. Wie belang hecht aan deze structuur maakt het meest kans op een plekje door onderdanig, religieus gedrag (Gerhardt) of je te gedragen als een alcoholische loser (Bloem), religie en alcohol zijn de pijlers van dit systeem, slaafsheid en domheid. Domweg gelukkig met wat er bestaat!

De Blinde Vlek

De Blinde Vlek

Ik zie een hele kleine versie van mezelf, een miertjesmartinus
voor een hele schattige minipyramide staan, en uit het raam
van verdieping 45 steekt een minimiertje het kopje met pet,
een poortjeswachter, en hij zegt we hebben een blinde vlek
die jij zelf in mag vullen, mierenmartinus.

En ik ervaar
een heel mooi klein stukje mierengeluk,
iedereen kan naar het topje, zelfs mierenmartinus zelf.
Dankjewel! Maar leun niet zo uit dat raampje.
U heeft zo’n schitterende pet.

https://literairecanon.be/nl/werken/blinde-vlek

Restanten van het kolonisme

In de vorige aflevering besprak ik het standbeeld als fenomeen: van representatie van de zittende macht naar snuisterij en kunstzinnig object. Ik betoogde dat we terug zouden moeten keren naar de oorspronkelijke functie van zulke beelden: ijkpunten van machtswentelingen. Door niet langer de gevestigde orde in beelden te gieten scheppen we als het ware onzichtbare beelden, die niet meer omver kunnen worden gehaald. Het onderwerp ‘kolonisme’ weet me vaak te bevreemden; en dat is met name te wijten aan de focus die in die discussie vaak opdoemt. Voor mij is een typische restant van het kolonisme bijvoorbeeld het met paarden inrijden op betogers, wat je tijdens de demonstratie in Den Haag weer zag: Arnold Karskens doet verslag

Het is dieronvriendelijk, het is gevaarlijk, het heeft eigenlijk geen enkele functie en zover ik weet doen we dit enkel in Nederland. Maar nee, niemand heeft het hierover, maar we gaan het wel hebben over een of andere straatnaam. Dat vind ik dan een bizarre vertekening.

Natuurlijk, grote delen van ons bestel stammen wezenlijk uit de koloniale tijd, denk alleen al aan ons koningshuis. Dat maakt het in zekere zin onmogelijk het over kolonisme te hebben zonder het ook te hebben over het bestel wat we eraan wisten overhouden. Toch is dat precies wat je ziet gebeuren: symboolpolitiek, vooral bedoeld om bepaalde groepen mensen tevreden te houden.

Als deze coronatijd iets liet zien is dat Nederland wel heel centraal wordt aangestuurd. Je mag het normaal vinden dat de hoofdredacteur van de Volkskrant laat weten dat in een crisissituatie kritische geluiden niet welkom zijn. Ik heb de tegengestelde mening: juist in een crisissituatie moeten zoveel mogelijk kritische opties en stemmen worden meegewogen. Want om een kordate beslissing te kunnen nemen moet je alle invalshoeken meewegen.

Maar in het kolonismedebat is dat mijn kleine bijdrage: niet langer met paarden op betogers inrijden. Dat is niet meer van deze tijd, onbeschoft, niet respectvol, gevaarlijk en gewoon onnodig. Dat vind ik belangrijker dan een straatnaam in Zuid-Lutjevoren.

Kom ons redden, Hugo, met je anderhalve meter.

Hugo de Jonge op het journaal in een daadkrachtige lichaamshouding met een haast cataleptisch schoolmeestersnikkeltje. Klaar om ons te komen redden in deze moeilijke tijden. Straffen en beschermen. Hij schijnt ooit leraar geweest te zijn, op een basisschool. Het CDA gaat weer glorieuze tijden tegemoet. Glimmende pakken en dandy schoenen. Dat aangaande, is het iemand ook opgevallen dat de pakken die de weermannen op het nieuws dragen er bepaald niet beter op werden door de jaren, het doet soms echt pijn aan je ogen. En die weerdame die altijd reusachtig hoge hakken draagt. Zelf ben ik geen fan van daadkrachtige lichaamshoudingen. Als iemand gaat staan alsof hij klaar staat om je in een wurggreep te leggen en er met je portemonnee vandoor te gaan roept dat bij mij tenminste geen veilig, vertrouwd gevoel op, maar ik schijn dan ook niet op de gemiddelde burger te lijken, die juist in glimmende pakken een betovering weet ontwaren.

Misschien kom ik gewoon uit een ander tijdperk, en kan ik een mooie narcistische glans gewoon niet op waarde schatten. Bijna al die mannen hebben tegenwoordig zo’n glans, Thierry, de Jonge, Klaver. Soms zie je nog wat cocaïnerestjes op het rever liggen. Daadkrachtig zijn ze allemaal wel, maar daar moet je dus van houden. Zijn dit het soort mannen die boven komen drijven in een wat matriarchischer samenleving? Of zijn het juist mannen die graag het scherm zien glimmen van de colportabele daadkracht?

Ik denk toch echt het eerste – mannen houden niet zo van zulke bezwangerende glimpalen en zien denk ik liever bedaagde, wijze oude figuren. Maar het is misschien niet eens het gevolg van het overal installeren van schooljuffen en koffiejuffrouwen als feministische supergolf: is het niet eerder zo dat de man zelf feminiseerde afgelopen decennia, en dat we daarom nu opgescheept zitten met deze cokerikken die overal penetrant staan schitteren. Kom ons redden, Hugo, met je anderhalve meter.

Politiek is porno. De obsessie met lengte kennen we ook uit die industrietak. Onderwijl werd die anderhalve meter gebaseerd op een Harvard onderzoek naar tubercolosis uit 1930. Hele harde wetenschap, want hij is inmiddels al een eeuw staande.

Ik krijg nu ook te horen dat precies de helft van mijn boekenkast uit vrouwen dient bestaan, anders ben ik een seksist. Nu heb ik nooit een boekenkast(1) gehad, dat scheelt weer. Gaan ze dit ook bij vrouwen controleren? En hoe gaat die boekensharia heten? Mag je de boeken nog wel door elkaar zetten, of moet er een mannendeel en vrouwendeel, zodat je makkelijk in een oogopslag je correctheid kunt etaleren?

(1) Ik stam uit een tijd waarin men zijn opperste best moest betrachten niet ‘burgerlijk’ te zijn, en als ik al die truttige schrijversportretten voor boekenkasten zie weet ik dat mijn generatie bijna unaniem wist falen.

Mondkapjes in het OV: zin en onzin

Mijn vader mag deze week voor het eerst weer bij mijn moeder op bezoek, maar hij moet zich wel identificeren met zijn paspoort, anderhalve meter afstand houden en een mondkapje dragen. Die paspoortidentificatie lijkt me heel wezenlijk, je wilt immers niet dat er random personen opduiken die graag een dementerende vrouw bezoeken. Gister ging ik pannenkoeken eten in Groningen, maar we dienden eerst een vragenlijst in te vullen. En we mochten niet buitenom naar het terras lopen, want dat was schijnbaar gevaarlijk, iedereen moest door dezelfde smalle binnenruimte. Die coronacrisis is gewoon de luizenmoeders in het groot.

Maar wat ik overal zie zijn maatregelen die de kans op infecties eerder verergeren. Zo moest ik van de week in de rij staan om de supermarkt in te mogen, een 20 minuten, en iedereen stond op 30 cm van elkaar. Dat invullen van een vragenlijst is ook al zo’n lumineus idee.

De communicatie rond de mondkapjes die sinds gister in het OV verplicht zijn was ook bizar. Eerst was er sprake van boetes voor medische mondkapjes, toen weer niet, toen was een sjaal ook goed, etcetera.

Met medische mondkapjes bedoelt men stofkapjes die zijn gemaakt voor de FFP standaard, en die worden getest op fijnstof, die hele standaard is op fijnstof gebaseerd. Die virusdeeltjes zijn echter veel kleiner, dus niet zo vreemd dat het RIVM met de boodschap komt dat mondkapjes je niet beschermen. Waarom men niet juist de HEPA norm gebruikt? Omdat tot dusverre HEPA filters nooit voor persoonlijke bescherming werden gebruikt.

De airstring is een mondkapje dat naar HEPA norm is gemaakt, en dat zijn dus geen medische mondkapjes, omdat alleen die stofnorm wordt geaccepteerd. Dat is naar mijn idee niet verstandig, al zeker niet omdat zo’n stofkapje veel lagen dient hebben om fijnstof af te vangen, en ademen ermee behoorlijk moeilijk is.

Bij de Kaneelfabriek is ook een versie verkrijgbaar met poëzie.

Jammer ook dat men al die ouderwetse schuifraampjes uit alle treinen heeft verwijderd, want de trein kunnen luchten zou ook al heel wat schelen om een airborne virus tegen te gaan. Misschien moet de NS maar eens gaan praten met Filtech, want in principe zou het mogelijk moeten zijn een HEPA systeem voor treinen te maken.

De putsch van het NRC

Dit artikel stond gister in NRC, je kunt het via een incognito venster lezen.

Wat mij vooral opvalt is dat de censuur op de uitspraken van Maartje Wortel afkomstig was van de recensent van het NRC. Dat moet ik dan zeker ‘normaal’ weten vinden(1) – bezien dat hun krantencriticus Ilja Pfeiffer in het verleden naar eigen zeggen vaak met schrijfsters het bed in dook vind ik het een raar verhaal aan het worden. Het ‘sfeertje’ is werkelijk niet te harden, zo provinciaal. Maar ja, wat moet je uberhaupt met aan de ene kant een ‘dandy’ met afgedragen lerarenjasjes van de kringloop en pipohaar en aan de andere kant een soort bezopen Vlad Zorro – wat een klucht, maar laten we niet de fout maken het NRC hier buiten schot te laten.

Wat ook opvalt is de propaganda die je voor de kiezen krijgt. Zelf lees ik vier of vijf boeken per maand, en ik durf best te beweren dat mijn concentratievermogen uitstekend is, en dat niemand op deze wereld elke dag een heel boek leest, behalve als hij niet leest maar scant.

Waarom moest die boodschap dat elke dag een heel boek wordt gelezen aan deze klucht worden gekoppeld? Wat voor functie heeft dat?

Ook die term ‘gezaghebbend criticus’ zie je steeds vaker in een soort dreinende herhaling opduiken, alsof zoiets een vaststaand feit is. Hoezo ‘gezaghebbend’? Voor wie? Nederland is het enige land ter wereld waar je ‘gezaghebbend criticus’ mag heten met alleen een voetbalboekje op naam.

Nee, dit artikel is nu juist het lichtend voorbeeld van wat er allemaal stinkt in de o zo gezellige lerarenkamer van de literatuur. Iets wat me na het geloof in Sinterklaas al wist ontvallen – deze putsch van het NRC, ik trap er niet in.

‘De gezaghebbend criticus komt langs, hij leest elke dag een kadootje’
  1. Dit behoren concurrerende kranten te zijn(3). Het idee dat de keurmeester van Duyvis VOOR de publicatie in de bedrijfsbode van Torpedo Pindas het verslag over een keurmeester van Torpedo komt ‘aanpassen’ wijst op iets dat nog veel ernstiger is dan wat klungelig gelunch van narcisten(2). Het wijst op een structureel probleem: de concurrentie is vals, de eigenaar is dezelfde, en de structuur dus wezenlijk tribaal, het is een JUNTA.
  2. Zat er een broodtrommeltje bij, die lunch?
  3. Dat men in Nederland meende dat kranten met dezelfde eigenaar toch ‘concurrerend’ konden zijn met behulp van wat flinterdunne ‘afspraakjes’ is zo lachwekkend dat ik aanneem dat de intelligente lezer zelf wel kan verzinnen waarom dat een gotspe is. Feit blijft dat de ‘hele nauwe pool’ van juryleden geen uit natuurlijke expertise voortkomend fenomeen is maar resultaat van een hele foute structuur.

Heb je hem weer

Ilja Pfeijffer duikt op: Arjan Peters is kwaadaardig

Is dat niet dezelfde auteur die zelf in een boek uitgebreid zat te snoeven met welke schrijfsters hij het bed had gedeeld, waaronder de nu-geloof-ik-ex van Peters, Hagar Peeters?(1) Je moet eens bedenken wat voor persoon mensen op die wijze in een boek gaat zetten. Over strategische kwaadaardigheid gesproken.

Nee, Dronky Chotte is niet onze moralistische leermeester. Beter grijpen we terug naar een artikel van Johan Sanctorum:

Dat is in wezen het drama van de cultuur: 99% van wat zich in de bovenste regionen van de samenleving bevindt, is nefast voor het voortbestaan van de menselijke soort

Lees het artikel

  1. En was mijnheer ook niet krantenrecensent en bloemlezer toen hij die schrijfsters ‘veroverde’? Mijn god, wat een ellendige klucht.

Wij hebben maling aan gedragscodes

In het vorige postje besprak ik het absurde gedrag van Bas Kwakman. Ik wil nog even aanvullen dat Kwakman wel degelijk bij de performance aanwezig was en mij hoogstpersoonlijk het podium op zag stappen, dus van ‘horen zeggen’ is de informatie niet. Je zou dan kunnen beargumenteren dat de man een bizar slecht geheugen heeft, maar ook dat argument valt al snel door de mand: zou hij de performance slecht herinneren, dan zou ‘De buddinghprijs moet serieus worden genomen!’ bijvoorbeeld incorrect in zijn boek zijn verschenen als ‘De buddinghprijs hoeven wij niet serieus te nemen!’ of iets dergelijks.

Maar dat is niet wat hier gaande is. De man fabriceert iets dat nul raakvlakken heeft met de werkelijkheid(1),. en waar het mij dan om gaat is dat dit voor een directeur volstrekt onbetamelijk gedrag is: zo gedraag je je als directeur niet. Een directeur dient objectief te zijn, boven alle partijen te staan, en ga zo maar even door – ik ga hier niet het hele handboek citeren, maar mijn punt is dat dit breekt met de gedragscode, amateuristisch is en gewoon een directeur onwaardig.

Dat bewustzijn ontbreekt in Nederland nogal eens, zeker in de cultuurwereld. Arjan Peters raakt in opspraak, maar uit een artikel uit Vrij Nederland van 2005 blijkt al dat men ‘gedragscodes’ in dat amateurcircuitje volslagen overbodig acht: wij evalueren onszelf wel, zo klinkt het dan.

Wij doen niet aan gedragscodes, artikel uit de VN

Niet zo raar dat je dan 15 jaar later met de gebakken peren zit., Peppelenbos poogt op het weblog Tzum te beargumenteren dat recensenten het recht hebben te seksen met schrijvers. Maar dat is volstrekte lariekoek: een advocaat heeft ook niet het ‘recht’ te seksen met verdachten of met getuigen. Heeft hij dat ‘recht’ wel dan wordt de hele rechtsspraak met een loopje genomen. Wie de literaire kritiek serieus neemt kan er niet omheen dat seks in het proces überhaupt geen rol dient te spelen, op geen enkele wijze, want het is nooit te meten in hoe verre de recensie in het proces een rol speelde.

Gedragscodes zijn geen overbodige luxe. Zelfevaluatie is geen betrouwbaar mechanisme. En bij sollicitatieprocedures, ook in de culturele sector, of misschien wel vooral in de culturele sector – een directeur van een bekend instituut dient bestuurservaring te hebben, verstand van zijn of haar veld, boven alle partijen te staan, en ga zo maar even door. Sollicitatieprocedures zijn geen hobby.

Oh, en jury spelen voor de PC Hooftprijs is dat ook niet. Hoe lang nog bestaat de jurypool waaruit de bestuursleden putten uit dezelfde vijf mensen? Mensen die weer, ik zeg maar wat, op die plek kwamen door de inzet van Kwakman? Het vervelende van corruptie is dat het niet enkel één functie aantast, maar de hele structuur. Wil je corruptie bestrijden dan dien je eigenlijk de hele structuur met een nieuwe te vervangen, beginnend met gedragscodes, kordate sollicitatieprocedures en een representatieve brede jurypool(2).

  1. Het minste wat je zou kunnen verwachten bij de presentatie van zo’n situationistisch werk is enig bewustzijn naar de referenties, Life is Life van Opus, de versie van Laibach, de referentie van Lorca ‘de snor is de tragische constante in het gezicht van de man’ welke hij schreef naar aanleiding van Hitler. Maar nee, kinderachtig jokkebrokken is al niveau genoeg, klaarblijkelijk, en dat de man zo dom is te jokkebrokken terwijl de performance op film staat spreekt ook boekdelen over zijn intelligentie.
  2. En ik hoop toch echt dat ik niet hoef beargumenteren waarom alleen een brede pool representatief of geloofwaardig kan zijn. Alles met dezelfde vijf mensen vullen is een schoolvoorbeeld van amateuristisch en ongeloofwaardig bestuur.

Bas Kwakman voert oorlog tegen de poëzie

Toen ze een kunstacademiestudent die een jaartje ‘communicatiemanager’ bij de gemeente Rotterdam speelde benoemden tot nieuwe directeur van Poetry International zag ik de bui al hangen, zeker toen ik de sollicitatieprocedure indook en zag dat de benoeming gebaseerd was op het idee dat ‘Bas goed met dichters zou kunnen praten aan de bar’.

Zulk amateurisme is schering en inslag in de huidige cultuurwereld. Het roddelboek dat deze gesjeesde tekenleraar schreef naar aanleiding van zijn afscheid las ik natuurlijk niet, want ik heb beter te doen, maar middels een google alert kwam toch een passage boven waarin Kwakman deze performance:

Als volgt omschrijft:

Wat hadden de mensen die deze kapperszoon benoemden gerookt?

Tja. Iedereen kan met eigen ogen zien wat hier aan het woord is. Overigens, de persoon die ‘de buddinghprijs moet serieus genomen worden’ roept is Samuel Vriezen met een Nietzschesnor op het gezicht geplakt.

Kwakman voert oorlog tegen de poëzie, zo schrijft hij in zijn boek(1). Twintig jaar lang, of zoiets, want hij had wat oude schoolvrienden het bestuur in weten werken. Had hij maar kunstwerken pogen maken op de academie in plaats van oorlog tegen de kunst voeren, dan hadden ze nu in het buitenland een veel positiever beeld van Nederlandstalige poëzie, in plaats van maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag Albert Schaffer en Lies ‘Ansichtkaartje’ van Gasse.

Sollicitatieprocedures. Moeten we die juist niet onder de vlag ‘hobby’ scharen, want zeker in Nederland lig je van de verkramptheid en het amateurisme met regelmaat wakker.

1) ‘De poëzie is oorlog’ – als je er geen verstand van hebt is dat natuurlijk altijd zo, maar scheikunde is ook oorlog als je er totaal geen kaas van hebt gegeten. Enfin, weer een koddig monumentje in de eindeloze rij ‘oorlogvoerende directeurtjes’…

Anderhalve meter samenleving

Filtech, het bedrijf van Ruud Poppelaars, heeft een eigen mondkapje gemaakt, de Airstring. Ik heb geholpen de site te maken en het logo en Veer maakte de tekeningen voor de gebruiksaanwijzing.

Je hoort vaak de meest vreemde argumenten tegen mondkapjes, terwijl we nu zo’n beetje het enige land zijn waar ze nog niet zijn verplicht. Dat allemaal omdat ‘de anderhalve meter samenleving’ klaarblijkelijk zo’n geweldig idee is – alsof je als je een mondkapje draagt ineens geen afstand meer gaat houden.

Nee, in werkelijkheid is het bijna oneindig veel duurder om de hele samenleving om te vormen naar een standaard van anderhalve meter, en is het mondkapje een eenvoudige oplossing om te voorkomen dat je anderen besmet en ook zelf besmet zult raken. Niet mondkapje of anderhalve meter, maar mondkapje EN anderhalve meter, waar het nodig is: de supermarkt, want buiten is het dragen van een mondkapje redelijk overbodig als je mensenmassa’s vermijdt.

Naar mijn idee worden de meeste beleidsbeslissingen in Nederland gestuurd door voorraadbeheer. Men kijkt wat er op voorraad is, en maakt dan beleid dat daarbij past. Verstandig lijkt mij dat niet – het is veel te kortzichtig en heeft niets van doen met intelligent beleid. Neem de cultuursector: maar 1 op de 4 stoelen bezetten in het theater, op grond van dat ‘anderhalve meter’ beleid: maar in werkelijkheid heb je te maken met een airborne virus dat zich in kleine gesloten ruimtes al hangende weet verspreiden. Het hangt nog waar een minuut geleden een ander liep.

Mijn idee zou eerder zijn te analyseren wat de knooppunten zijn, de plekken waar het virus zich het best kan verspreiden, en daar dan gebruik van een mondkapje verplichten.

Een supermarktgang is anderhalve meter breed. Elke keer dat je daar iemand passeert kom je op 30 centimeter van elkaar. En in een gemiddeld supermarktbezoek gebeurt dat passeren een keer of acht, en buiten de gangetjes ook nog een keer of vier, 12 keer per bezoek aan de supermarkt dus. Ga je in een maand gemiddeld 16 keer naar een supermarkt dan zijn dat dus 192 keer in een maand dat je op 30cm afstand een persoon passeert. Precies om deze reden is die ‘anderhalve meter’ een soort rozebrillen-werkelijkheid, die alleen op papier bestaat.

De hele samenleving erop inrichten is niet alleen peperduur maar ook praktisch onmogelijk. Zou je de supermarkt daadwerkelijk op de anderhalve meter samenleving willen inrichten dan zouden de schappen 4.5 meter uit elkaar moeten staan, wat betekent dat in elke supermarkt drie volle rijen met producten moeten worden verwijderd.