RIVM geeft het op, kleutertjes blijken niet te redden.

Al die ‘maar een griepje’ lui en pleerollen hamsteraars blijken dezelfde groep, en het is ook precies die doelgroep die de politiek het liefst als kleine kleuters toespreekt.

Op het moment dat Rutte lachend over handjes schudden stond oreren voor de infantiele brigade hadden de Chinezen het eerste noodziekenhuis al uit de grond gestampt. Een week later begint de ellende: we hebben landelijk 1150 IC bedden.

En het RIVM heeft na een heldhaftige strijd van een week de handdoek maar in de ring gegooid: de oude protocolletjes bleken niet te werken, ok iedereen krijgt het virus, alleen dan hier 50% want wij zijn Nederland toch een stuk beter dan die 60% in Duitsland. Maar dat je bij de 10% opname-ratio dan ook 800.000 IC bedden moet hebben daar hoor je ze niet over.

Dat is namelijk niet onze afdeling. Voor de bouw van extra ziekenhuizen moet u bij de lokale gemeente zijn.

(Voor de hamsters: 8.000.000 maal 10% = 800.000)

Wel goed nieuws over een antilichaam, maar ik zou die testperiode van maanden op mensen maar flink versnellen.

Aan Brussel blijken we bij nader inzien al helemaal niets te hebben, die hebben alle vergaderingen als eerste afgelast, en zitten voor de gelegenheid in hun peperdure appartementjes te schranzen.

Coronadagboek 23-03-2020

Aflasten van events – een concert met 99 bezoekers is natuurlijk geen coronahaard, maar met 100 bezoekers gaan we de mist in. Ruud Poppelaars zegt dat Rutte en kornuiten zich al juridisch aan het indekken zijn – Rutte noemt zichzelf afgelopen dagen steeds ‘historicus’ en Bruins de minister van gezondheid heet plots ‘jurist’, want dat heeft de man ook gestudeerd. En ze luisteren naar ‘de experts’, dus aan hun kan het niet liggen.

Bizar plaatje:

Het is misschien overbodig, maar ik zou mijn lezers met klem willen vragen nooit meer op een van deze partijen te stemmen.

Onderwijl zie ik geen maatregelen waar ze nodig zijn: de school en de supermarkt. Dat zijn de echte events, de echte verzamelplaatsen. Maskers, aub, handschoenen, karretjes ontsmetten. Waarom gebeurt dat niet?

Het Lucifersmeisje lijkt middenin het gedicht plots in een toneelstuk te veranderen. Een eigenaardig format, het gebeurde als vanzelf, ineens werd het van gedicht toneelstuk. Ik weet niet of zulke werken elders bestaan.

Uitgebreide excuses van Leo over het griepje en de dorpjes die niemand kent. En dan komt van der Holst geinen, Pfeijffer reageert niet omdat ik de dichter ben die niemand kent, is natuurlijk zo.

Ik had het er gister nog met Andrea over, over hoe tevreden ik ben met mijn status. Het viel haar op dat Stella Bergsma, die ze op een of andere rebelse bijeenkomst zag in Zaandam, en die mij schijnbaar bij naam noemde, erg ontevreden leek met haar status, heb ik geen last van, Status Onduidelijk staat al mijn hele leven op mijn voorhoofd gekerfd en dat vind ik een uitermate prettige positie.

Status: Onduidelijk. Handjes wassen, peperkoek kopen.

Vroeger werd ik wel eens ‘Enfant Terrible’ genoemd, en dat vond ik verschrikkelijk, wie wil er nou in een of andere suffe lerarenkamer zo bekend staan? Mijn god, een enfant terrible in een of ander slaperig buurthonk, dan ben je per definitie al van het padje.

Nee, Status Onduidelijk, daar doe ik het voor.

Coronadagboek

12-03-2020

Man leunt over de balie bij de AH. Vijf minuten lang deelt hij zijn spuugdeeltjes met de medewerker, iets prangends over loterijloten. Waarom je juist nu in vredesnaam zulke medewerkers geen mondkapjes en handschoenen laat dragen is mij een raadsel – juist in de supermarkt, waar iedereen van afhankelijk is, zouden zulke maatregelen nu uiterst gepast zijn. Maar nee, je laat zo’n medewerker de hele dag in spuugdeeltjes sausen, en ze bespuugt net zo vrolijk weer iedereen terug, al dat gezellige sociale contact over loterijloten is gewoon te belangrijk om even te laten en bovendien, wij doen hier zoals het hoort.

Afstand houden is er ook nog steeds niet bij, dat in de supermarkt voor elkaar krijgen vereist precognatieve vermogens, enkel een zwaar helderziende kan voorzien wanneer de volgende idioot naast je komt staan spugen.

Toen in 2008 de crisis uitbrak woonde ik op een prinseneiland, Buyukada, en wat me vooral opviel was de veerkracht van de Turkse samenleving: nauwelijks 10 dagen na het uitbreken van die crisis halveerden huiseigenaren bijna overal de huurprijzen, uit puur sociale overwegingen.

Ik dacht toen nog: dit zou in Nederland ondenkbaar zijn. Nederland is een ingeslapen, star land, formeel, bureaucratisch. Er gaat geen cent van de huurprijs af. Maar eergisteren werd bekend dat in heel Italië de hypotheken worden opgeschort. En bezien dat het er hier over een dag of tien op dezelfde wijze aan toe zal gaan: het zal mij benieuwen.

Carnaval met Corona was geen probleem


Aldus Vader Abraham van het RIVM. En in de grote Expert Show op de publieke omroep kwamen al de goede herders en instant-experts-uit-een-blikje samen om te verklaren dat er niets aan de hand was en dat het toch vooral een griepje was.

Nu is als gevolg van deze opstelling mijn moedergrond Brabant een besmettingshaard, waar mijn oude vader zich heeft verschanst met een hoop proviand, maar nog elke dag mijn al even broze moeder gaat bezoeken in het verzorgingshuis. Als zij hieraan sterven ga ik dat op Vader Abraham & de griepprotocollen uit 1954 verhalen.

Wat is eigenlijk een ‘expert’ – beter gezegd, hoe kun je een expert zijn in het gedrag van een gloednieuw virus? Dat lijkt me zo goed als onmogelijk. Toch worden mensen bewust als zodanig gepresenteerd – grijze muizen die alles van oude griepprotocollen weten, of mischien een leven lang door een microscoop naar hele andere virussen hebben zitten staren – en plots zit je op de buis en ben je een ‘expert’ over een situatie die zich nooit eerder voordeed.

Het minste wat je van zulke mensen zou kunnen verwachten – ze worden immers voor hun ‘kennis’ betaald – is dat ze alle literatuur over dat nieuwe virus lazen, ervaringen uit China, enzovoort. Maar ze zitten daar en papegaaien griepprotocollen uit 1954. Niets aan de hand!

Goed, gelukkig hebben we de literatuur, de avantgarde, waar oplettende intellectuelen het voortouw nemen. Toen de uitbraak in Italie reeds aardig gevorderd was schamperde Pfeijffer in HP de Tijd over ‘dat griepje’ en dat ‘niemand hier in het Grote Genua die kleine dorpjes kent.’ Mijn hemel, hoe laag kun je zinken?

Een andere schrijver, Manon Uphoff, laat op facebook weten dat haar definitie van een ‘rebel’ iemand zou zijn die zijn of haar werk naar behoren uitvoert. De perfecte werknemer is de ultieme opstandeling, hoe Nederlands is die definitie precies?

Ondertussen zitten we met de gebakken peren. Als ik een kleine, maar noodzakelijke verbetering mag voorstellen zonder het gevaar te lopen weer als ‘rebel’ te worden bestempeld: noem iemand pas een expert over Corona als hij precies dat virus 20 jaar lang uitgebreid wist bestuderen. Oh die mensen bestaan niet? Juist. Ik ga papieren zakdoekjes inslaan.

Het tenenkrommend noemen is teveel eer

Als ik de boodschap van extinction rebellion op het boekenbal goed mag duiden zijn jullie de rebellen, het publiek, de verzamelde schaapjes, de massa. Maar is niet het eerste wat een rebel zou doen dat CPNB onklaar maken, het boekenbal afschaffen, al die BN’ers tegen de muur zetten? Of heb ik nu een heel raar beeld van een rebel in het hoofd en is dat corporale plaatje van de rebellie als matig entertainment toch een stuk authentieker?

Ook in dat essay van Akyol, gecertificeerd televisiepersoonlijkheid, tref ik geen enkel wezenlijk idee aan hoe het anders zou moeten. Vrijblijvend gekabbel over dat ergens wat vriendjes vriendjes bespreken, maar niks structureels. Het is corrupt, tja, maar wel corruptie waar hij zijn eigen succes aan dankt, zich sterk inlijmende bij de meest vreselijke figuur uit de literaire wereld, Mai Spijkers, de vleesgeworden commercie die tegenwoordig de meest wanstaltige dichtbundels op de markt brengt. En dat Akyol juist de bestsellers van Spijkers komt verdedigen als echte literatuur mag dan natuurlijk geen wonder heten. De rebel!

Och, wat een clownerie allemaal. Het tenenkrommend noemen is eigenlijk nog teveel eer, voor je het weet beroepen ze zich op dat effect als bewijs voor de effectiviteit van hun circuskunstje.

Het doet me denken aan een lucide droom die ik als kind had. Ik was een jaar of zes, en droomde dat ik een rebelse prins was, die rebelleerde tegen zijn vader, de Koning. De droom was dermate lucide dat ik op een gegeven moment wakker werd, naar het toilet ging, weer insliep en precies weer verder droomde waar de droom gebleven was: ik zat vast in een barokke kamer, wachtend op mijn executie, die dan ook volgde, ik zou worden onthoofd, ik moest door lange rijen joelende mensen lopen, en precies op het moment dat de guillotine naar beneden kwam ontwaakte ik voor een tweede keer.

Die droom heeft me lang stof tot nadenken gegeven. Hoe bizar is zo’n seriële droom? En hij was zo bizar lucide ook, echter dan echt, en natuurlijk dan denk je meteen aan reïncarnatie of iets dergelijks, maar latere pogingen zo’n prins te vinden waren niet erg succesvol, en als het een soort boodschap moet zijn, wat is de boodschap dan? Dat alle rebellie per definitie zinloos is? Een psychoanalyst zou waarschijnlijk zijn praatje klaar hebben, de vader moet geaccepteerd worden, nou dat heb ik lang en breed geprobeerd allemaal, maar met weinig effect.

Ik hou het maar op de meest luie wetenschappelijke verklaring: het parallele universum. Een universum misschien waarin het CPNB geen rebelse dwarsdenkers als entertainment opvoert, maar gewoon witte, saaie, autoritaire boomers. En de rest van deze fantasie kan ik vanwege de veiligheidsdiensten beter achterwege laten, hoewel, die bestaat daar natuurlijk uit superhelden en rebellenleiders. Het is me wat, met al die clownwerelden.

Pak Akyol’s baklavavinger en voor je het weet zit je naast Stella Bergsma op televisie de schrijver’s schrijver uit te hangen.

De daverende rebellen van Uitgeverij Prometheus

Oh come out you black & tans

Ik lees ‘Zee der Jeugd’ van Platonov. Wat een verschil met de ‘eigentijdse Nederlandse roman’ die ik laatst aanschafte. Daar zat ik na vier hoofdstukken nog immer met een frons op het gezicht, die steeds dieper werd. Maar Platonov – ach, wat een verademing, elke pagina een mengelmoes van zuivere admiratie en schateringen.

Het verhaal begint met een man die de woningnood in Rusland wil oplossen door enorme pompoenen te kweken. Maar bij een klein schrijver is dat het verhaal, bij een groot schrijver een klein detail.

In Trouw gaat een stuk van Erik Jan Harmens over mij verschijnen, ergens na de sinterklaas, een podcast en ook een interview. Het gaat allemaal over sober leven, maar gelukkig heb ik hem in kunnen peperen dat nuchterheid niet bestaat, dat iedereen constant high is van de kaas, en voorts weigerde ik uit de ouwe meuk van krakschaap voor te lezen en koos ik voor de welluidende gedichten van Brendan Kennely.

Ondertussen doen ze in de Tweede Kamer hun stinkende best om de subsidie die ze van de samenleving krijgen op te brassen aan oftewel gelieg ende gedraai, oftewel grandioze discussie over bemanning of bemensing bij de politie. Nu spreek je zover ik weet van ‘bezetting’ in geval van de politie, dus is deze discussie exemplarisch voor de taalverloedering van de maatschappij.

Een van de eerste dingen die ik te berde bracht toen we het over ‘De Honingzaag’ hadden is dat het tijdschrift absoluut geen recensies moet bevatten. De markt spoelt over van de tijdschriften vol recensies, alsof dat het primaire doel van het literaire tijdschrift is, de industrie dienen. Wel zijn stukken welkom die kritisch kijken naar de rol van de kritiek zelf, zoals dit keer bijvoorbeeld Marc van Oostendorp een stuk schrijft over de recensiekwaliteiten van oldtimer Rob Schouten.

Ondertussen werk ik aan de bundel ‘Ginneninne’ die zich deels laat inspireren op het Keltische en ‘De Verzonnelde’, een verzamelbundel van al mijn werk tot dusverre.


Come out you black and tans,
Come out and fight me like a man,
Show your wife how you won medals down in Flanders;
Tell her how the IRA made you run like hell away,
From the green and lovely lanes of Killeshandra.

Come tell us how you slew Them ol’ Arabs two by two,
Like the Zulus they had knives and bows and arrows;
Of how bravely you faced one with your sixteen-pounder gun,
And you frightened all the natives to the marrow.

nY Optimism & Transformation as a Service.

Een greep uit de diverse discussies over taal die ik deze week voerde. Allereerst: gebruik van het woord ‘nuchter’ in de recensie van Piet Gerbrandy over mijn laatste bundel die in de laatste Poëziekrant staat:

‘Benders gaat ver in deze bundel. De lezer moet bereid zijn zich aan de compositie over te geven, want nuchtere analyse levert niet veel op. Ik ga er graag in mee, maar na enige tijd begin ik toch te verlangen naar de absurde en cynische grappen uit Benders’ eerdere bundels. Wie weet waar deze grillige dichter de volgende keer weer mee komt.

Toevallig had ik eergisteren Erik Jan Harmens over de vloer, een podcast over nuchterheid die in de Trouw zal verschijnen. In de podcast beweer ik dat ‘nuchterheid’ als fenomeen niet bestaat. Gerbrandy had beter ‘sobere analyse’ kunnen gebruiken, want zoals het er nu staat impliceert het eigenlijk vooral dat hij normalerwijze stomdronken teksten leest. Dat is toch wonderlijk, hoe één woord een wereld van verschil kan maken.

In de academische wereld woedt al geruime tijd een discussie over de verengelsing van het Nederlands. Op Neerlandistiek.nl een bijdrage van Yves T’Sjoen maar ik struikel in het stuk bijna meteen over het woord ‘concipiëren’.

Een uit het procesrecht afkomstige term die tegelijk ook ‘zwanger worden’ betekent in deze context beter achten dan het woord ‘scheppen’ of ‘ontwerpen’ – moet je dat als taalbeheersing serieus nemen? Is dat soort managersjargon wezenlijk beter dan die verengelsing? Je klinkt in mijn oren in beide gevallen als, excusez le mot, een droplul.   En is een gevoeligheid voor hoe-je-overkomt niet wezenlijk de functie van alle taal – daar begint het grote spel pas.

Els Moors heeft het over een nieuwe site, en een geweldige tekst van Hans, met een link naar dit tijdschrift erbij.

Als ontwerper vraag je je dan ogenblikkelijk af of dat font zo enorm is omdat de doelgroep van de website uit zeventigplussers bestaat? Het alternatief is zorgelijker – lezen jongeren al zo moeizaam?

Om over het stuk zelf maar niet te spreken. Wat een wazig geformuleerd wangedrocht. En wat wil Hans nu zeggen, dat alleen ‘linkse’ mensen mogen schrijven of kunst maken? Dat we tot geweld moeten overgaan? Tegen de micro-fascisten? De hand aan onszelf slaan dus? Elders op het internet blijkt dat Hans Demeyer zichzelf verkoopt als Optimism & Transformation as a Service. Zou hij ooit een klant hebben weten scoren? Ik vrees van wel. Dit tijdschrift, bijvoorbeeld.

Het blad nY, dat een transgressieve rol speelde middels Dirk van Bastelaere in de afschaffing van kunstsubsidies, door ze eerst te annexeren en vervolgens op stomvervelende wijze alles zo op de spits te drijven dat geen mens het nog zou willen handhaven? Bedankt, jongens.

Gelukkig maar dat ze meer verstand hebben van ongelofelijk modieuze experimentele poëzie met heel veel woorden en een ongelofelijk gehalte aan betrokkenheid en verzint u zelf nog wat superlatieven en lees mee!

Literatuur, Kritiek & Amusement, indeed.

De nuchterheid in de literatuur neemt uiterst betrokken proporties aan

Kunst maken is egoïstisch – de filosofie van Charles Esche

Hebben jullie dat nooit, dat iets je helemaal het verkeerde keelgat inschiet? Dat had ik toen ik dit filmpje bekeek en ik Charles Esche, directeur van het Van Abbe, zag zeggen (09.43) dat de meeste kunstenaars alleen kunst maken om hun egootje te promoten en dat er een ander soort kunst is, de kunst van ‘de transactie’ (hij bedoelt netwerkkunst) die als een soort remedie tegen al die egoïstische kunstenaartjes kan worden opgevoerd. Het wordt helemaal leuk als deze overbetaalde pluche-marxist aangeeft dat ‘hij net zo goed in een fabriek zou kunnen werken’. Natuurlijk, Charles. Alles draait om de transactie (lees: geld) en dat er mensen zijn die de moeite nemen met veel moeite nog echte kunst te maken – dat moeten wel enorme egoïsten zijn!

Hoe kunnen we deze ‘transactie-intellectuelen’ het best noemen? Cultuurmarxist dekt de lading niet echt. Ik weet niet wat de lading dan wel zou dekken. Misschien wil ik dat gewoon niet weten.

Via Marc van der Holst: “Het aantal kunstenaars zal moeten krimpen–en daarvoor moeten we de kunstenaars compenseren.” (Jesse Klaver, 18 oktober 2019)

Emily Temple schreef dit artikel op Lithub, over hoeveel boeken je nog kunt lezen tot je zult sterven.

Er bestaan dus reeds 150 miljoen geschreven boeken. Daarvan kun je als je een ‘superlezer’ bent er 3000 lezen, en een ‘normaal’ lezer blijft in de 1000 hangen.

Is het onder zulke condities nog mogelijk om op een betrouwbare manier de smaakmaker uit te hangen? Uiteraard niet. Wie nu nog enkel de smaakmaker uithangt en pretendeert te weten wat ‘modieus’ is kan nooit een oprecht persoon zijn.

Toch blijft dat ‘modieuze’ de witte motor van ons nationale literatuurspel. En dat heeft uiteindelijk maar één leitmotif: de transactie, inderdaad.

Een ander Nederlands woord voor dat hippe ‘transactie’ is ‘zakkenvuller’.

Het geheim van de Nobel

1976

‘Waarde Heren van het Comité, ik heb het meesterplan verzonnen’

‘Vertel, Wouter!’

‘Er mogen elk jaar vijf organisaties een kandidaat nomineren, in totaal wel 10 mensen. Heren, kijk eens achter me op het bord!

‘Een X?’

‘Ja, een X. Dat is onze schrijver. Maar wat gebeurt er als we allemaal achter deze schrijver gaan staan? Dan is het plots X tot de macht tien!’

‘Net zoals de Amerikanen altijd doen?’

‘Precies! Die weten hoe de vork in de steel zit! We gaan dus massaal dezelfde schrijver nomineren. De kans op de Nobelprijs is dan het grootst.’

‘Maar welke schrijver nomineren we dan?’

‘Mulisch!’

‘Waarom niet Reve of Hermans? Die zijn toch minstens even goed?’

‘Het gaat om eensgezindheid, niet om goed. Dat goede is maar een mening, dat snappen die Zweden ook wel.’

1977

‘Wouter, de meesterstrategie werkte niet. Mulisch zat in de achterste regionen.’

‘Ja, nog wel. Kijk eens op het bord achter me. Wat zie je daar?’

‘Die X tot de macht tien.’

‘En wat gebeurt er als je die X tot de macht tien tien keer gaat inzenden?’

‘Nou?’

‘X tot de macht tien tot de macht tien!’

‘Potdomme, die prijs kan ons dus niet ontgaan. Maar wat doen we dan met Reve of Hermans? Die komen dan niet aan de beurt.’

‘Tja, schrijvertjes. Het gaat hier toch om iets heel anders. Dit gaat om het landsbelang!’

2010

‘Wouter, Harry Mulisch is overleden!’

‘Verdomme. Net nu de prijs wiskundig bezien op vallen stond. Geeft niet. De schrijvers komen en gaan, de wiskunde blijft. Wie verkoopt er nog meer goed in Duitsland?’

De Nobelprijs voor literatuur


Nu ik de vijftig nader vraag ik me wel eens af hoe het eigenlijk komt dat gedurende mijn hele leven er maar twee Nederlandse nobelprijsnominees waren: Mulisch en Nooteboom. Nog nooit werd er een vrouw voorgedragen, nog nooit een dichter. Wie is daar eigenlijk op aan te spreken? Waarom doet men alsof het vanzelfsprekend is dat iemand tot aan zijn dood wordt genomineerd?

Het Nobelcomité vraagt elk jaar een aantal organisaties een voordracht te doen. Een van die organisaties is het MNL. Nu ken ik iemand die daar in het bestuur zit, Marc van Oostendorp, dus ik vroeg hem hoe het precies zit met die jaarlijkse nominatie. Hij schreef:

Ik zit in het bestuur van een van de clubs die vanuit Nederland mag nomineren (de Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde). Die clubs hebben ooit besloten ieder jaar allemaal dezelfde kandidaat voor te stellen en de laatste jaren is dat dus Nooteboom. Wie dat precies bepaalt is mij niet duidelijk, ik zie die nominaties alleen als hamerstuk voorbijkomen bij bestuursvergaderingen.

Elk jaar Nooteboom, elk jaar weer eindigt hij in de achterste regionen. Maar volgend jaar heeft hij vast meer kans!

Dat het Nooteboom moet zijn is ‘ooit’ beslist, onduidelijk is nog steeds door wie. Dat het tot aan zijn dood moet zijn is ook ooit beslist, ieder jaar een ander nomineren, of een discussie over wie men zou moeten nomineren, nee dat is allemaal onwenselijk.

Uit de discussie die volgde bleek duidelijk wat het probleem eigenlijk is. Die Zweden zijn maar een corrupte bende, waarom zouden wij tijd verknoeien aan die flauwekul, we doen gewoon Nooteboom, klaar. Men neemt de prijs dus totaal niet serieus. Vandaar Nooteboom.

Die verkoopt namelijk goed in Duitsland. Verkoopcijfers zijn het argument weer, en dat hij jaar in jaar uit geen kans maakt is niet zo belangrijk: dankzij de jaarlijkse nominatie blijft hij ook gewoon goed verkopen in het buitenland.

Dat je dat ook wel eens aan een andere schrijver of uitgever zou kunnen gunnen is waarschijnlijk een te sociaal model dat enige empathie vergt. Dat je de moeite zou nemen jaarlijks een discussie over kwaliteit te houden – kwaliteit? Verkoopt het in Duitsland?

Dat je, ook als je de prijs met geen mogelijkheid serieus kunt nemen, toch enige sociale insteek kunt hanteren – het komt niet bij deze mensen op. Geen discussie over kwaliteit, geen discussie over verkoopcijfers. Het is ooit besloten, en dat je niet verplicht bent om aan dat circus mee te werken komt ook al niet ter sprake. Gewoon! Nooteboom.