Wienerwatcher zit met de handen in het haar

[et_pb_section bb_built=”1″][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″][et_pb_image _builder_version=”3.0.91″ show_in_lightbox=”off” url_new_window=”off” src=”http://www.martijnbenders.nl/wp-content/uploads/2017/10/22780724_1527905560629822_8241724791790996534_n.jpg” always_center_on_mobile=”on” use_overlay=”off” force_fullwidth=”off” show_bottom_space=”on” /][/et_pb_column][/et_pb_row][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″][et_pb_text _builder_version=”3.0.91″ background_layout=”light” text_font=”Raleway||||||||” text_text_color=”#000000″]

Wat is er toch aan de hand met de Heer Wiener? Bartus heeft vandaag een vrije dag en kan zich nog steeds niet losweken van misantropenjaren, maar de rest van de Wienerwatchers, goed, dat ben alleen ik tot dusverre, maar ik lees met stomme verbazing de boze open brief van Mijnheer Wiener aan het adres van ene ‘Wiet de Bruijn’. Lees het hier

Allereerst vraag je je af wat er zo ‘open’ aan de brief is. Ondergetekende kan op Tzum niet reageren, want mijnheer Peppelenbos heeft de facebook knop ontdekt waarmee je ongewenste commentatoren kunt verbannen.

Wiener noemt Mai Spijkers een ‘gluiperige engerling’. Aan zulk taalgebruik haak ik dan vast – weet Wiener niet wat een ‘engerling’ is, of weet hij dat wel en wil hij doelbewust een nogal knullige belediging uiten? Want kroegpraat is dit niet, zelfs op een VVD soireetje kom je met ‘gluiperige engerling’ niet weg. En het is trouwens ook ‘at one fell swoop’ en niet ‘in’. Was Wiener dus echt een leraar Engels, veertig lange vlijtige jaren? We zullen het waarschijnlijk nooit weten.

Ik heb de soap maar met een half oor gevolgd. Een hoop schrijvers zijn boos, boos op Wiet. Wat ik ervan wist begrijpen: Wiet heeft een algoritme verzonnen waarmee je kunt voorspellen welke boeken mensen willen lezen.  Alle dertig oma’s bij elkaar? Ja, dit gloednieuwe algoritme is volslagen omaproof. En dus kocht Wiet vol vertrouwen de hele Bruna keten op, die hij nu gaat vullen met boekjes die dat omaproof algoritme gaat dicteren.

Is het dan zo machtig moeilijk te voorspellen wat die handvol oudere vrouwen wensen lezen? Waarschijnlijk niet. Het verklaart de boosheid niet echt, val dood is me nogal een afsluiter. Wat is er dus werkelijk aan de hand?

Misschien moet ik gewoon weer wachten tot Bartus aan het werk gaat, want deze Wienerwatcher komt er niet uit. Hoe langer ik erover nadenk, des te vreemder komt de hele toestand mij voor. Heeft Wiet soms een schrijfmachine uitgevonden, en gaat hij nu met vervaarlijke A.I. en BigDataFeeds al die Brunaas met caviaboekjes vullen? Dat moet het wel bijna zijn. Maar wat is het verschil met de oude Bruna?

Sinds de hele grachtengordel is opgekocht door de lui van de postcodeloterij (incl. alle uitgevers) is het leven van een beetje Wienerwatcher er niet makkelijker op geworden.

Gluiperige engerlingen, the whole lot of em.

Martinus Benders, penningmeester van het WWG.

[/et_pb_text][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]

Nachtefteling – de contrarecensie

[et_pb_section bb_built=”1″][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″][et_pb_text _builder_version=”3.0.86″ background_layout=”light” text_font=”Raleway||||||||” text_text_color=”#000000″]

Op Tzum verscheen een recensie van Jane Leusing over mijn bundel Nachtefteling.

In Nederland en ook elders is het traditie dat een dichter of schrijver niet op recensies reageert. Dat wordt als ‘sjiek’ gezien, maar wezenlijk is het misschien eerder de oorzaak van de belabberde staat waarin het medium verkeert. Tijd dus om eens de traditie van de ‘contrarecensie’ in het leven te roepen. .

Allereerst valt natuurlijk op dat Jane Leusing de deprimerende boodschap dat ‘closereading’ iets is wat men in de jaren zeventig aan universiteiten pleegde doen wel erg achteloos brengt. Ik zou namelijk niet weten hoe je gedichten anders zou kunnen duiden: door er oppervlakkig overheen te lezen? Natuurlijk, er bestaat ook iets als oeuvrekritiek, en zelfs literaire kritiek die oeuvres tegen elkaar op kan zetten, maar zulke kritieken zijn in Nederland al helemaal nonexistent, dus wat blijft er dan over? Geen closereading, geen grotere duiding – alleen het schimmige gevoelentje van de recensent die vluchtig het werk even las?

Hier het gedicht waar de closereading over gaat:

Shut up, kiss me, hold me tight

Je doet net of ik er niet ben. Of ik een meubel ben,
ooit in een opwelling aangeschaft, duur genoeg
om niet aan de straat te zetten, maar verder
zo opwindend als belegen brood. Wel,
wentelteefje van mijn hart
hoe lang moet de huisraad nog wachten
voor de stort daagt? Dagelijks vind ik mijn kracht

in het tutoyeren van de taal zelf. Ik noem de aanschijn
bijvoorbeeld het konterfeitsel, gewoon omdat het kan.
Maar in jouw woordenkast nooit een melkman.

I wish the milkman would deliver my milk in the morning
I wish the milkman would deliver my milk when I’m yawning
[…] X4

(..)

Leusing bedoelde het misschien sarcastisch, want ze onderneemt wel degelijk een poging dit gedicht uit Nachtefteling te ‘closereaden’ (is er geen nederlandse term voor dat fenomeen te verzinnen? Begrijpend lezen? Nee dat is toch eigenlijk iets anders..) – ze kiest daarbij voor een formaat waarin de recensent aan de hand van één gedicht iets poogt aan te tonen over de hele bundel. Dat is natuurlijk een gevaarlijk stramien, want buiten dat het gedicht misschien niet al te representatief is voor het geheel verplicht het je ook die closereading dan wel erg zorgvuldig te doen. En helaas, zorgvuldig kunnen we deze closereading niet echt noemen. Het begint al bij het feit dat het Leusing schijnbaar niet opviel dat zowel begin als einde van het gedicht uit citaten uit popliedjes bestaan. De titel komt uit het gelijknamige nummer van Angel Olson en de slotregels uit ‘Milkman’ van Aphex Twin.

Stop pretending i’m not there is de chute uit het eerste nummer, en dat is ook de thematiek van het gedicht zelf. Een wezenlijk tragisch gedicht waarin de dichter als grof vuil bij de stort wordt gezet. Hij eindigt dus als raamlikker, en Leusing mag daar een ‘masculiene boodschap’ in ontwaren, in het nummer van Aphex Twin is de regel vooral homo-erotisch (Ik wil melk likken van de witte dijen van de melkman).

Een goed closereader zou het niet enkel opvallen dat het gedicht een spelfout bevat, maar deze zou ook beseffen dat de zogenaamde spelfout naadloos de thematiek van het gedicht volgt. De dichter weigert te spreken over ‘het huisraad’ en staat op ‘de huisraad’, want die huisraad is hij natuurlijk zelf. Schrijven tegen die objectificatie keert later in het gedicht terug als de dichter schrijft dat hij bezig is de taal zelf te tutoyeren. Hoe zou je dat precies doen?

Hierna volgt een vreemde opmerking over ‘het aanschijn’ een konterfeitsel kunnen noemen. De dichter staat tegen het raam geplakt en beziet zijn oude leven, en hoewel ik niets heb met mensen die gedichten ‘talig’ plegen noemen (schilderijen noem je toch ook niet ‘vervig’) is dit, denk ik, een van de interessantse wendingen in het gedicht: aanschijn, de oude situatie, verandert in konterfeitsel – iets wat tegen de feiten indruist, terwijl hij tegen het raam staat geplakt, met zijn kont naar het licht, in feite. Dat zou je met goed recht iets taligs kunnen noemen, omdat het twee woorden die officieel hetzelfde betekenen tegen elkaar laat contrasteren.

Die melkboer uit het gedicht, wie is dat? Is dat een nieuwe minnaar, of is het misschien eerder de dichter zelf? ‘Maar in jouw woordenkast nooit een melkman’ staat er te lezen. Om dan te eindigen met die wens dat er een melkman hem elke morgen melk zal komen brengen. Iets masculiens in de lezing van Leusing, maar ik zie er eerder wrange verwijzingen in. Wat ons terug brengt naar de titel van de recensie, ‘taalgrappenmaker’. Humor kan ook wrang zijn. Is dit een grappig gedicht? Mij lijkt van niet. ‘Grappig’ is gewoon niet het juiste woord. En precies daar ontbreekt het de recensent dus aan zorgvuldigheid, want iets wezenlijk wrangs als een grapje wegzetten is niet alleen onzorgvuldig, het is de plank compleet mis slaan.

Of is die melkboer wellicht de taal zelf? Gaat dit gedicht eigenlijk wel over een verbroken relatie, want het is lastig in die regel ‘in jouw woordenkast nooit een melkman’ niet een soort commentaar naar de poëzie zelf te lezen. Dichters die lege woordenkasten bouwen, waar nooit een vervelende verrassing in zit. Het duveltje in het doosje. Voor de dichter is taal niet langer iets formeels, en dus kan hij ‘de taal zelf tutoyeren’ en zelfs spelfouten als poëtische elementen opvoeren. Dat deed ik al ooit eerder, weet ik nog, maar vraag me niet waar.

Je zou het gedicht dus heel wel kunnen lezen als een gedicht over een dichter die verbannen is uit het huis van de taal zelf, misschien door juist zo tegendraads bezig te zijn? Het is ook lastig de ironie niet te zien – in zowel ‘Shut up kiss me hold me tight’:

Als in ‘Milkman’

speelt taal een bepaalde rol, een rol waarbij wat van belang is eigenlijk helemaal niet gezegd wordt. Het zijn schijnbaar oppervlakkige teksten, die echter door chutes die buiten-talig zijn bijzondere betekenis krijgen.

Een sonnet dus dat twee muzieknummers aan elkaar koppelt, eigenlijk als tussenstuk fungeert, en een spelfout en een taalverdieping als voornaamste chutes heeft. De demonische melkman fungeert op zo’n manier dat je het zowel als een klassiek gedicht over een verbroken relatie zou kunnen lezen als metacommentaar op de taal of de rol van de dichter zelf.

***

Na de toch wat mislukte closereading vervolgt Leusing met taal die je in een goedkope vakantiebrochure zou verwachten: ‘er is in de bundel veel te beleven’. Dat zegt natuurlijk geen enkele lezer wat; uit een recensie over een pretpark zou elke touroperator zo’n zin onmiddellijk schrappen. ‘Ga naar de Costa Brava, want er is veel te beleven’ – nee, ook hier is de taalkeuze onzorgvuldig.

Als klap op de vuurpijl, het einde van de recensie, waar Leusing doodleuk beweert dat, omdat ik ‘Aantekeningen’ heb veranderd in ‘Krabbels’ deze aantekeningen plots geen aantekeningen meer zijn, maar bij het gedicht zelf zouden moeten staan. Pardon? En de woorden zijn opnieuw inwisselbaar, sterker nog ‘krabbels’ is een veel passender term, omdat het niet de volledigheid suggereert welke ‘aantekeningen’ impliciet in zich draagt.

En als je zo’n opmerking maakt dan wordt het bijzonder vreemd als je regels van Nene Giorgadze in de recensie citeert als de mijne. Overigens vind ik de wond als open deur een prachtige metafoor voor het soort weltschmerz dat Nene poogt omschrijven.

Zou ik het gedicht Shut up kiss me..’als exemplarisch voor de bundel omschrijven? Nee, dat denk ik niet. Maar wat ik wel eigenaardig vind is dat recensenten hun conclusies al bij voorbaat van elkaar lijken af te kijken. De nar, de grapjas, luchtig, ga zo door. Als dichter ben je dan toch blij dat er nog critici als Gerbrandy bestaan, die wel degelijk de gruwel in mijn gedichten kan zien.

Martijn Benders

[/et_pb_text][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]

Laibach concert review, Sittard 08 november 2017

[et_pb_section bb_built=”1″][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″][et_pb_image _builder_version=”3.0.86″ show_in_lightbox=”off” url_new_window=”off” src=”http://www.martijnbenders.nl/wp-content/uploads/2017/11/23316336_1515894538463696_387409772287389504_n.jpg” always_center_on_mobile=”on” use_overlay=”off” force_fullwidth=”off” show_bottom_space=”on” /][et_pb_text _builder_version=”3.0.86″ background_layout=”light” text_font=”Raleway||||||||” text_text_color=”#000000″]

Castle Wolfenstein? No, Sittard just before the Laibach concert. 

There is something sad about guys with gray hair in long leather jackets with malevich crosses on their sleeves. I’m always glad I didn’t end up like a fan. It had a sort of dungeons and dragons feel about it, most of these guys probably have decent office jobs and in the weekend they put on their outfit and go to Laibach concerts. There was even a Milan Fraz lookalike, he even had the same nose so for a moment I thought Fraz had learned flemish.

‘Ah, there’s the photographer’ the concertmanager said, an old hippie in leather, coming at me to shake my hand. I have no idea why he thought I was a photographer, well okay I arrived one and a half hour early but that’s because I hoped to run into mina, but she decided to keep put in that enormous blinded tourbus, even after I kept circling it semi-unheedingly for an hour. It’s a good thing I didnt bring flowers, I told myself, I would probably seem like a really loopy fan. Luckily I happened to look like the photographer.

 

[/et_pb_text][et_pb_image _builder_version=”3.0.86″ show_in_lightbox=”off” url_new_window=”off” src=”http://www.martijnbenders.nl/wp-content/uploads/2017/11/23435190_1515894591797024_1555749847237149246_n.jpg” always_center_on_mobile=”on” use_overlay=”off” force_fullwidth=”off” show_bottom_space=”on” /][et_pb_text _builder_version=”3.0.86″ background_layout=”light” text_font=”Raleway||||||||” text_text_color=”#000000″]

Being 46 and not entirely free of physical complaints I am still the most engaged person in the audience, even though in the Netherlands that only requires a light twitch in ones leg. The show started, and Fraz came on like a duke from hell itself, in his long glittery dark red coat he looked like the perfect fetish icon, a look too expensive for his older german fans who still wore their 80’s outfits. After listening to his gorgoyle voice for 5 minutes, I started looking at my watch. Nice, but where is mina? I want mina! It took over four gorgoyling songs before mina finally too the stage, and the show immediately changed. Mina owns Laibach, and no matter how much I appreciate the fetish icon of Fraz, it does work better in the background, as a sort of demonic shadow of a crafty emotional show.

Fraz looked me into the eyes for quite some time, and nodded at me. When I don’t dance I always search eye contact with band members, so I never get bored at concerts. Fraz is a friendly, provident personality. Kind of an archetypical father figure. When something fell down on the stage he calmly picked it up, not a control freak but an authorative male. The keyboard player also stared into my eyes, kind of a paranoid look – a difficult guy, I understood, who fights with his hatred for the audience and music.

Getting eye contact with mina was more hard. She is too professional. But for a short while I did, getting a glimpse of the inner fire that turns her into such a wonderful artist and stage performer, with a great sense of grandeur and style. She wore a strange sort of empress drape when she came on, in high heels – firy women often tend to come in small packages. She clearly enjoyed the power she had over the audience. For the second time that day I was glad I didn’t bring her flowers.

The music was nifty and fresh, and closest to what they played in the Kapital period, so no wonder they did a few songs from that record as well. One thing that greatly dissapointed me – being a hermit that lives in silence in the forest, I never go to concerts because the sounds are just too loud for me. I never understood this ‘concert tradition’ of making music so loud it hurts ones ears. Why can’t Laibach play at a comfortable level? Why the need of a P.A. that would rather fit a large football stadium? I can’t for the life of me think of any good reason why musicians would want their music to be deformed that way, unless the hearing-aid lobby is really powerful.

As a poet, I would say there is much more bombast in silence.

 

 

[/et_pb_text][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]

De laatste VSB poezieprijs

[et_pb_section bb_built=”1″][et_pb_row][et_pb_column type=”1_2″][et_pb_text _builder_version=”3.0.86″ background_layout=”light” text_font=”Raleway||||||||” text_text_color=”#000000″]

‘De jury van de VSB Poëzieprijs 2018 is verheugd over het aantal inzendingen dat haar bereikte’ lezen we – dat is vreemd, want het aantal inzendingen was ten opzichte van andere jaren gehalveerd. Natuurlijk, zo’n halvering kan je verheugen, zou het mij ook doen als ik het allemaal moest lezen, maar om nou een juryrapportage met zo’n cynische boodschap te openen?

Verderop in het juryrapport pakt het cynisme nog verder door, wanneer een regel van Thomas Möhlmann wordt geciteerd als onsterfelijke poëzie: ‘Ik beloof je in en uit te blijven ademen’. Kan het nog cynischer?

[/et_pb_text][/et_pb_column][et_pb_column type=”1_2″][et_pb_image _builder_version=”3.0.86″ show_in_lightbox=”off” url_new_window=”off” src=”http://www.martijnbenders.nl/wp-content/uploads/2017/11/bloedzuiger_1.0.jpg” always_center_on_mobile=”on” use_overlay=”off” force_fullwidth=”off” show_bottom_space=”on” /][/et_pb_column][/et_pb_row][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″][et_pb_text _builder_version=”3.0.86″ background_layout=”light” text_font=”Raleway||||||||” text_text_color=”#000000″]

Nu heb ik, zo moet u mij maar op mijn woord geloven, de nodige poëzie gelezen. En ik kan van alles roepen, maar dat is volstrekt zinloos – dat wordt in die kringetjes alleen cynisch weggelachen. Waarom bijvoorbeeld Tonnus Oosterhoff weer, die de prijs al eens won? En niet H.C. Ten Berge, die nog nooit genomineerd werd? De beste bundels? Nou, ik zie graag iemand me een haarfijn uitleggen waarom ‘Binnenplaats’ van Joost Baars niet alleen beter is dan ‘Splendor’ van H.C. ten Berge, maar ook als debuut een nominatie verdiende. En zo kun je dan even doorgaan.

Weet je wat het is? Elk gevoel voor duurzaamheid ontbreekt juist bij dit type wegwerp-consensus. Het is het netwerk-gevoelig meten van vlaggetjes, zonder enig overzicht over het grotere plaatje. En op een of andere manier is dat samenraapsel van academische muurbloempjes altijd in staat de vlaggetjes die in kleine kringen zijn uitgezet te reproduceren, wat een vreemd fenomeen is. Al met al kun je maar één conclusie trekken: het is goed dat deze prijs zo snel mogelijk ophoudt te bestaan. Zodat weer de literaire kritiek de canon kan gaan vormen, in plaats van een politiek-nihilistisch geïnspireerde loterij.

[/et_pb_text][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]

In karakter een blog postje schrijven

[et_pb_section bb_built=”1″][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″][et_pb_text _builder_version=”3.0.86″ background_layout=”light” text_font=”Raleway||||||||” text_text_color=”#000000″]

Hoog in het noorden woont een dapper homosoapgruttertje dat de hele literaire wereld in een houdgreep heeft met gerelleplep hoewel ik niet weet of je zo’n term mag gebruiken, maar aangezien hier niet Martijn Benders aan het woord is omdat we de magie van het weblog niet willen vernaggelen is dat allemaal dik in orde. Maar in karakter of niet, ik ga niet iemands naam verpeppelenpleppen, dat vind ik een goedkope truc. En dat de beste man soapboekjes schrijft en aan de man brengt dat lijkt me een aanwinst voor de lokale pornoindustrie die het niet makkelijk hebben met al die oostblokridders die de markt overspoelen. Pappeldeplap, sinds je in de echte wereld gewoon in karakter dingetjes mag doen om de magie te behouden is alles weer helemaal puik en pleppie.

Een leuk voorbeeld van zulk in karakter gedrag is Kevin Spacey. Sommige mensen menen dat hij losse handjes had op de set, maar wie zegt dat dat Kevin Spacey was? Het was Frank Underwood, die ook buiten de serie om in karakter blijft om de magie van de serie te benadrukken.

Ook op Twitter is het een dolle boel, waar schrijvers als Jamal Ouariachi net doen alsof ze Jamal Ouariachi van Twitter zijn. Fictieve politie en schandpalen worden tevoorschijn geplebt, iemand schreeuwt ‘verklikker’ en zelfs het literaire kabouterscheetje B.Reukers rochelt uit de vergetelnis iets over moraal. Zolang hij maar geen gedichtjes meer schrijft vindt iedereen het allang best.

Eigenlijk dus een dag als alle andere in de Nederlandse literatuur. En dat opkomen voor pedofielen het enige engagement is waarop de Nederlandse schrijvers 15 jaar lang waren te betrappen, och, wat moet je dan, iets over die Twin Towers schrijven? Over de derde wereldoorlog? Nee, laten we het gezellig houden en in karakter – de magie van politiek is nu juist dat engagement zichzelf mag verzinnen.

Wie sprak hier? Ik weet het niet. Een of ander karakter uit een of andere fictieve roman. Als Martijn Benders denk ik er het mijne van. Ik denk dat ik die roman heel rebels eens gewoon niet op ga schrijven. Nu kunt u mij er wellicht op wijzen dat ik ook dit blog postje als ik moreel consequent zou zijn niet zou moeten publiceren. Maar ik vrees dat u dan de zwarte magie van sociale media onderschat.

Frederique Roepworst, 05-11-3017

 

[/et_pb_text][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]

Asmat

[et_pb_section bb_built=”1″ _builder_version=”3.0.47″][et_pb_row _builder_version=”3.0.47″ background_size=”initial” background_position=”top_left” background_repeat=”repeat”][et_pb_column type=”4_4″][et_pb_text _builder_version=”3.0.85″ background_layout=”light” text_font=”Raleway||||||||” text_text_color=”#2b1200″]

Asmat

Ik heb niks tegen werken, maar je moet er wel wat bij te lezen hebben.
De verhalenbundel met de achterlijke titel Misantropenjaren las ik toen ik werkzaam was als suppoost in het Museum voor Volkenkunde. De Asmat in Nieuw-Guinea is een gebied dat tot de grootse aaneengesloten moerasgebieden van de wereld behoort. Het wordt doorsneden door een netwerk van kreekjes en rivieren die zich in luie bochten een weg banen naar de Arafurazee. De huizen zijn op hoge palen in het moeras gebouwd. De audio-rondleidingen stonden destijds nog in de kinderschoenen. Voor een symbolisch bedrag konden bezoekers een soort vroom&dreesmannwalkman meekrijgen waarvan wij medewerkers de cassettebandjes na inlevering moesten terugspoelen op weer een heel ander apparaat — of als het erg druk was met een balpen want we hadden maar één cassettedeck. De walkman zelf gebruiken voor het terugspoelen was uit den boze. Dan raakten de batterijen op. En we hadden ook maar één oplader.

Het was een experiment, die walkmans. Ze verdwenen toen de bijbehorende tentoonstelling ten einde was alweer gauw in de afvalcontainer, waar een collega van mij ze aan het eind van de week voor eigen gebruik weer uit viste. Een tentoonstelling eerder had hij nog voor duizenden guldens aan specialistisch geluidswerend materiaal uit de container gered voor zijn drumhok. Men gooide bij het museum nogal makkelijk dingen weg en eerlijk is eerlijk: het was ook een heel gehannes met die walkmans. De meeste bezoekers waren met dit recentelijk uit Japan overgewaaide stukje vernuft totaal niet vertrouwd. Het zijn toch vooral oudere mensen die musea bezoeken. [hier komische beschrijving invoegen van grijsaard met walkman en wandelstok / verwart play- met eject-knop / koptelefoonsnoer!]

Omdat de geesten kennelijk nog niet rijp waren voor individuele audiobeleving luisterde ik gedurende mijn gehele museumcarriere minstens vijf keer per dag naar de luidop afgespeelde ‘Inleiding Asmattentoonstelling’ die automatisch instartte als een nieuwe bezoeker de tentoonstellingszaal betrad. Op drukke dagen soms wel zeven keer. Het valt onder dergelijke omstandigheden niet mee om je hoofd bij zo’n boek van L.H. Wiener te houden. Zelfs nu, jaren later, worden bij herlezing van Misantropenjaren de verhalen nog steeds gedecoreerd door peniskokers, voorouderbeelden, plastic neusschotels* en aanhoudend geroffel op holle-boomstamtrommels. En probeer dan maar eens van het koningswater af te blijven.
Dat lukt je nooit.
Denk ik.
Nee.
Dat is schier onmogelijk.
Dat lukt niet.

En hoe zit dat met jou lezer? Lees jij ook wel eens dingen die de schrijver helemaal niet verzonnen heeft omdat je in een grijs verleden datzelfde boek al eens hebt gelezen in heel specifieke omstandigheden? Of hou je eigenlijk helemaal niet zo van lezen? Laat het ons weten in de comments. Vertel het je vrienden. Like en subscribe!

(*) Ja echt waar: plastic neusschotels. Toen missionarissen met hun plastic emmers het Asmatgebied in trokken zagen de inboorlingen daarin een perfect basismateriaal voor het vervaardigen van hun traditionele sierraden. In de patronen van het houtsnijwerk doken naast de pootafdrukken van inheemse dieren nu ook afdrukken van gymschoenen op en toen het verhaal van de herrezen Here Jezus bekend werd, ging men ook kruisbeelden vervaardigen, waarin Jezus een vogelsnavel heeft want hij is immers een god.

[/et_pb_text][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]

Laibach, VOR SONNEN-AUFGANG (live)

[et_pb_section bb_built=”1″][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″][et_pb_video _builder_version=”3.0.85″ src=”https://www.youtube.com/watch?v=9CG0KPy4aek&feature=em-uploademail” /][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]

Recensie ‘Nachtefteling’ in Ons Erfdeel

In het ‘Ons Erfdeel’ nummer van komende februari een lange recensie van Piet Gerbrandy over mijn bundel ‘Nachtefteling’. Ik mag de recensie helaas nog niet delen, dus dit bericht is misschien ietwat overbodig, maar het lezen van de recensie deed me goed, omdat het tegenwoordig in recensieland vrij zeldzaam is dat iemand je werk aandachtig leest.

Cataclysme / in paarden vooruit

[et_pb_section bb_built=”1″][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″][et_pb_video _builder_version=”3.0.85″ src=”https://www.youtube.com/watch?v=gRSZ64aua6o&t=10s” /][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]